is toegevoegd aan uw favorieten.

De griffier van Peewijk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

112

DE GRIFFIER VAN PEEWIJK.

„Waarom geloof je me niet Dora?" zei hij nu weer, en z'n stem scheen te beven.

Ze lachte even zenuwachtig, wendde zich dan ineens van hem af.

„Je houdt me voor de gek", sprak ze zacht, terwijl ze 'n paar slagen weg reed.

Maar dadelijk had hij haar ingehaald, greep haar hevig bij de hand.

„Dat geloof je zelf niet..!" fluisterde hij snel en dan op 'n gewonen toon, luider: „Aha, daar zijn de dames Haaiman!" en dit zeggende groette hij met 'n buiging Toet en Clémence, die juist aan kwamen rijden.

„Dora wat rij je prachtig" sprak Clémence. „We hebben jou en meneer Stein straks bewonderd, niewaar Toet?"

„Zeer gevleid, zeer gevleid" sprak Stein en dan tot Toet: „Mag ik het genoegen hebben 'n baantje met u te rijden?"

Van Clémence nam Stein niet veel notitie.

In z'n aphorismenboek had hij eens geschreven: „Geen vrouw heeft het recht om leelijk te zijn," en 'n vrouw, die zich dat recht tóch aanmatigde, behandelde hij dan ook als een minderwaardige.

Clémence nu, was leelijk.

Bij Toet was alles jeugd en frischheid en bloeiend leven, het glanzend donkere haar, de prachtige teint, de ondeugende bruine oogen, 't coquette neusje en de schalksche mond met roode, volle lippen; bij Clémence