is toegevoegd aan uw favorieten.

Asmus Sempers jeugd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

n6

Op een dag in 't heetst van Juli echter bracht de spoor iets heel bijzonder wonderbaars en interessants en dat waren kanonnen. Asmus stond met zijn mand aan den arm en keek verbaasd naar den dam: daar kwamen kanonnen — kanonnen — kanonnen.

Hij dacht; nu is 't zeker wel aanstonds uit, maar er volgden kanonnen — kanonnen — kanonnen.

Toen hij van den winkelier terug kwam zag hij twintig pas voor zich uit zijn moederlijke vriendin Adolfine Moses in de grootste haast voorbij waggelen.

«Adolfine!» riep hij, «Adolfine! Neem me mee!»

Adolfine stond stil en wendde hem een geheel ontsteld gezicht toe.

«O God, djongen, kom gauw, o God, o God, wat heb ik 'n angst !>

«Waarom dan?» vroeg Asmus.

«O God, djongen, weetje dan nog heelemaal niets? Frankrijk heeft ons den oorlog verklaard en de Franschen zijn al in Kiel en nu komen ze bij ons, o God, o God. Kom maar gauw mee naar huis, misschien, zijn ze er al! O God, o God, o God!»

Dus daarom die kanonnen, dacht Asmus. Maar hij vatte den algemeenen toestand veel optimistischer op dan Adolfine; als de Duitschers zooveel kanonnen hadden dan zouden ze 't met de Franschen wel klaarspelen, Adolfine vertelde echter zooveel akelige verhalen van de Franschen die in 1813 in Hamburg waren geweest, en vertelde ze met zoo'n overtuiging, alsof ze er zelf bij geweest was, dat Asmus toch eenigszins beangst thuis kwam. Ook daar vond hij een gedrukte