Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het lot van Heiligschenders. — De Heer spreekt over heiligschennis. — De mensch is verbonden met de hel. — God keert den mensch van het booze af. — De mensch moet strijden, als, uit zichzelf. — De Heer alleen kan verlossen. — Kwaad en goed zijn tegenstellingen. — Wil en verstand, moeten één worden Blz. 49—64

Wil en verstand zijn eerst gescheiden. — De wil moet worden omgevormd. — Want de wil is verwoest geworden. — God onderwijst, niet onmiddelijk. — De mensch is altijd in geestelijk gezelschap. — De genegenheid leidt den mensch. — De wil leidt het verstand, maar niet omgekeerd. - Dereden voor de ontkenning der Goddelijke Voorzienigheid . Blz. 65—80

Hoe God den mensch voorlicht. — Elke Godsdienst kan zaligmaken. — Heidenen en Mahomedanen worden ook zalig. — De middelen tot zaligheid in elke natie. — Over communicatie met geesten. — Geesten zijn absoluut onbetrouwbaar. — Omgang met geesten zeer gevaarlijk. — Aanzien en weelde zijn een zegen of een vloek. Blz. 81—96

Het einddoel stempelt het karakter van een daad. — Heerschzucht is uit den duivel. Over aanzien en weelde in den hemel. — Heerlijkheid in den hemel. — Naastenliefde is liefde tot nut. — Nutdoen geeft hemelsche Zaligheid . . . Blz. 97—108

Sluiten