Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

io

arbeidde), en geschiedenis der philosophie (éénmaal, nl. zomer 1869, na Ritters dood).

Het aantal hoorders was volgens Rehnisch' lijsten in het eerste tiental jaren niet zeer groot, maar groeide toch allengs aan en werd sinds ongeveer 1860 zelfs beduidend groot, inzonderheid op de meest geliefde colleges, van welke de psychologie dan weer de kroon spande (meermalen over de 100 ingeschreven hoorders). Falckenberg . berichtJ), dat volgens zijn eigen waarneming in 1875 en 1876 het aantal werkelijke toehoorders echter wel dubbel zoo groot was als het aantal ingeschrevenen, gelijk ze door rehnisch worden vermeld.

Lotze's voordracht kenmerkte zich door eenvoud en elegantie. Aanteekeningen had hij niet voor zich dan hoogstens een stukje papier met een paar woorden er op. Hij sprak vrij en in ongedwongen redeneertoon, terwijl hij gewoonlijk tot vastlegging van het gesprokene korte résumé's dicteerde *).

Zijn werken vertoonen denzeltden band tusschen het natuurwetenschappelijke en het philosophische als zijn collegelijst uitwijst. Vóór zijn komst in Göttingen schiep hij op philosophisch gebied zijn eerste „Metaphysik" (1841) en eerste „Logik" (1843), terwijl zich in 1842 daar tusschen in stelde zijn „Allgemeine Pathologie und Therapie als mechanische Naturwissenschaften" (1842), zijn eerste meer belangrijk natuurwetenschappelijk werk. En ditzelfde valt ook op bij het bestudeeren van de lijst zijner in Göttingen geschreven werken. Op natuurwetenschappelijk (en natuurphilosophisch) gebied dienen uit dezen tijd, behalve meerdere zeer geroemde bijdragen tot RüD. wagner's „Handwörterbuch der Physiologie" 8), twee belangrijke werken gememoreerd te worden, nl. „Allgemeine Physiologie des körperlichen Lebens" (1851)

') Richard Falckenberg, Hermann Lotze, 1901, (in Frommans Klassiker der Philosophie), p. 107 v.

*) Het zijn deze (elk jaar in andere bewoordingen gegeven) dictaten, welke Rehnisch later uitgegeven heeft.

») Artikelen over: Leben, Lebenskrait (1843), Instinkt (1844) en Seele und Seelenleben (1846).

108

Sluiten