is toegevoegd aan uw favorieten.

De nieuwe Loohof

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

115

„Voor de loonsverhooging en dat geven van linnen," zei Otto, „neem ik de volle verantwoordelijkheid op mij. Moeder, als u soms wat anders hebt te doen, kunt u gerust gaan."

Maar mevrouw Looman bleef zitten. Zij was erg bleek geworden en haar ademhaling was hoorbaar.

„Dus ook in die quaestie heb ik met jou te doen," zoo wendde de burgemeester zich tot Otto, „maar dat had ik zelf ook wel kunnen bedenken. Neem me niet kwalijk, Moeder Looman.... Wat denk je dan wel, waar moet dat heen, als wij boeren niet langer eensgezind blijven, als iedereen doet, wat hij zelf het beste vindt?"

„Dat is volkomen naar mijn hart gesproken," zei Otto, „en u roert daar iets aan, wat ik allang eens graag met u zou hebben besproken. Wat zou u er van denken, als u eens een geërfdendag uitschreef en wij eens grondig met elkander die dingen bespraken, die ons allen gelijkelijk aangaan? Eerst dus eens over de personeel- en de loonquaestie, want die is voorshands wel de belangrijkste. Op de volgende manier bijvoorbeeld, zou ik willen voorstellen: wij stellen eerlijk vast, welke zuivere winst wij in de laatste jaren met de boerderij hebben gemaakt en dan vergelijken wij het resultaat met onze inkomsten in de jaren vóór den oorlog. Evenzoo vergelijken wij de tegenwoordige loonen van ons personeel met hun loon vóór den oorlog. En dan stellen wij tusschen onze inkomsten en de loonen van het personeel, zoo goed en zoo kwaad als dat gaat, een bepaalde verhouding vast"

De burgemeester had zijn hand aan zijn voorhoofd gebracht om beter te kunnen nadenken. Toen hij de zaak had begrepen, schudde hij ernstig het hoofd en zei, zich tot mevrouw Looman keerend: „Daar kan toch allerlei moois in zoo'n allergeleerdst hoofd worden uitgebroed! Het verwondert me alleen, dat hij niet het voorstel doet om onze boerderijen onder het dienstpersoneel te verdeden. Mijn jongste, Moeder Looman, kreeg ook eens een keer een bevlieging om naar de hoogeschool te gaan, maar ik ben toch blij, dat ik hem met zachten vaderlijken dwang weer op den