Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4

houten kast, de koperen knopjes op de klok, die tikt-takte met traag slingerbeweeg.

In de hoeken zwartten de nachtschaduwen al.begeerig loerend om straks de heele kamer in bezit te nemen, maar vlak voor het raam was 't nog licht, daar glansde schijn binnen van den bleek-rooden avondhemel, dat 't blad met 't witte koffiegerei hel opstond boven de bruine tafel, 't Lichtje onder de koffiekan, klein geel pennetje, kon nog niet uitschijnen in lichtkringetjes op tafel.

Vlak aan 't raam zat een vrouw, log, zwaar lichaam, slap, als een vetmassa, onverschillig neergekwakt op haar stoel.

't Groote hoofd met kwabbige wangen en vette kin was naar voren gebogen, naar de grijze kat, die kringde in de wijde schootkom tusschen de dikke dijen en balachtige knieën, waar de vaalzwarte rok overheen strakte. De slappe borsten hingen neergezakt tot op 't middel, waartegen de buik opkwabte; de bolle besproette handen rustten op de dijen, slap, willoos.

Nu ging 't hoofd in de hoogte, moeielijk, als een looden last voor den slappen hals; 't breede gezicht kwam in den raamschijn, lijnloos gezicht, vettig-week, pafwit, de zwarte neusgaten wijd gapend boven de dikke lippen, die, slap, wat open hingen, aan de hoeken een dun straaltje kwijl doorlatend, dat langs de kin gleed, waar 't een wittig bevlokt spoor achterliet.

De zwemmende dof-grijze oogen keken in stillen staar, met vreemd-droeven blik, als oogen van een kind, dat gansch verdwaald is in ver land, dat niet begrijpt de dingen om zich heen, en niet vertellen kan van die andere wereld, die 't in zich weet, waar 't thuis behoort.

Ze bleef stil zitten staren in 't tuintje, waar de geraniums en goudsbloemen nog opkleurden en in den versten hoek een paar roode rozen, als stil-glan-

Sluiten