Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

12

Amsterdam, Rotterdam, Deventer, Twente, Utrecht, Zutphen, Arnhem, Den Helder, Apeldoorn, Tiêl, Zwolle' Groningen, Haarlem, 's Gravenhage, Nw. Buinen, Friesland] Zeeland, enz. bezitten reeds dergelijke rapporten, welke hierin overeenstemmen dat alle doctoren het op eigen gezag toedienen van alcohol aan kinderen als geneesmiddel, als zoogenaamd versterkend middel of als genotmiddel,' absoluut afkeuren.l)

Reeds in 1893 verklaarde Prof. Stokvis kort en goed: Alcohol is een hersenvergif!

Wanneer we nu eenig denkbeeld hebben van de uiterste teerheid onzer hersenen, die de zetel zijn van ons geestelijk leven, en we bedenken daarbij, dat de kinderhersenen zich nog moeten ontwikkelen, dat het kinderlijk organisme nog een ontwikkelingsproces moet doorloopen, dan is het ons duidelijk, dat zooveel mogelijk alles bij het kind vermeden moet worden, wat voor de hersenen nadeelig kan zijn.

Een geringe hoeveelheid alcohol kan reeds een hoogst verderfelijken invloed uitoefenen op het zenuwstelsel van het kind, en waar tevens het gevaar zoo groot is van regelmatig herhaald gebruik op rijperen leeftijd, daar begint men in te zien, dat men het verstandigst en het voorzichtigst doet, door den kinderen vóór den volwassen leeftijd alle alcoholische dranken volkomen te onthouden.

Ook als geneesmiddel bij kinderen verliest de alcohol zijn ouden roem. Wel beweren vele artsen nog, dat dit middel in sommige gevallen van groote waarde is, doch steeds grooter wordt het aantal deskundigen, die verklaren, dat het in den regel gemist kan worden en slechts onder zeer bijzondere omstandigheden aangewezen schijnt, hoewel ook in deze gevallen zijn nut vaak twijfelachtig is.

De bekende deskundige Prof. Ziehen te Utrecht2) verklaarde: „ik wend alcoholhoudende dranken bij kinderen als therapeutisch middel slechts in hoogst zeldzame gevallen voor korten tijd aan, bij direct levensgevaar ten gevolge van hartzwakte".

In aansluiting met het bovenstaande geven we enkele opmerkingen weer van denzelfden professor, die op het

*) Alleen in het Tilburgsche rapport (1904) komen helaas! een paar minder ernstige antwoorden voor. 2) Later hoogleeraar te Berlijn.

Sluiten