is toegevoegd aan uw favorieten.

Dante's Louteringsberg

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

116

dat Latona daar haar nest maakte om de beide

oogen des hemels te baren. 133 Voorts begon van alle kanten een kreet zóó dat

de Meester zich te mij waart wendde, zeggende:

„Wees niet wankelmoedig, zoolang ik u geleid." 136 „Eere zij God": zeiden allen „in den hoogen"

naar wat ik van dichte-bij vernam, vanwaar de

kreet kon verstaan worden. 139 Wij bleven staan onbewegelijk en in afwachting,

als de herders, die voor het eerst dien zang

hoorden, totdat het beven ophield en di» zang

werd afgezongen. 142 Voorts hervatten wij onzen heiligen weg, ziende

naar de schimmen, die ter aarde lagen, reeds

wedergekeerd tot hun gewone geween. 145 Geene onwetendheid maakte ooit met zulk eene

kwelling mij begeerig tot weten, als mijne heuche-

nis daarin niet dwaalt, 148 als ik me toescheen toen al denkende te hebben,

noch bij het haastig voorwaarts gaan, durfde ik

het vragen,

150 noch uit me zeiven konde ik er iets van zien. Zóó ging ik verder, beschroomd en peinzend.

NA-SCHRIFT BIJ ZANG XX.

Nu Dante, te midden der louterende zielen, al nader en nader zijne eigene loutering komt en de berg weldra, van vreugde over Dante's loutering — zooals in XXI wordt uitgelegd — beven zal, geeft de verschijning van Hugo Gapet Dante gelegenheid zijne verbittering te uiten tegen de fransche Koningen, Hugo's afstammelingen, allermeest tegen Karei van Valeis (vs. 70— 78) die in 1301 zonder leger in Italië gekomen, door

■ksc