Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8

aan wien Jan hoe langer hoe meer het land begon te krijgen, ja, jegens wien hij zelfs een ontzettenden haat ging koesteren*

Hij staarde terug naar dat eene verlichte venster, terwijl er een vreemde brok in zijn keel kwam en hij zijn handen tot vuisten balde in de zakken van zijn jas, gemaakt van kariboe-huid. Vervolgens keek hij geruimen tijd met een verlangenden blik naar een kleine hut, die een weinig van de anderen afgezonderd stond en in stilte fluisterde hij weer de woorden, die hij tot den Engelschman gesproken had.

Jan was altijd heel tevreden geweest over zijn leven en zijn omgeving tot hedenavond — of misschien was het de laatste twee weken al wat minder geweest. Zijn wereld was een groote wereld, zonder hartstocht; voor het grootste gedeelte bestaande uit sneeuw en ijs en eindelooze ontberingen,' maar hij had dat alles lief en in zijn geest leefde enkel nog een, haast geheel verbleekte, herinnering aan een andere wereld.

Het was een wereld van groote, eerlijke zielen, al waren die ook verscholen

Sluiten