is toegevoegd aan uw favorieten.

Greet Hemming

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

117

Greet achtte het niet eens de moeite waard haar schouders op te halen; en ging zich beneden in de keuken zetten tot slapen, het hoofd schuin tegen den muur, het eene oor gereed tot opvangen van roep- of belgeluiden, die Piet of de oudelui zouden thuis brengen. Zij wist niét of pa aan den sleutel had gedacht; 't zou wel, hij was zoo precies, maar hij belde toch nog graag, om bevelend diensten van een ander te vergen. Alvorens in te dutten, soesde zij met gesloten oogen eindelijk eens op haar gemak over Donald Hemming. Haar verbeelding riep hem voor zich op, zij het zijn blikken, zijn woorden haar nog eens doordringen, als zooveel zalige zonnekoesterinkjes in dien winter, haar léven. Hè, hoe ver scheen de middag al achter haar te hggen. Het nare had het aangename al weer zóó verdrongen, bijna heelemaal. Misschien was het wel goed in haar leven. Zij mocht toch geen hoop hebben, hoop op verandering, verademing. Verbeeld je, net of die jongen die nou voor haar aan kon brengen, verandering. Heerlijk wel, dat hij zoo vriendelijk geweest was, het zou haar altijd een schattige herinnering blijven,

maar meer kon 't toch ook niet voor haar worden. Och wel

goed ook. Paste nou zoo'n rijke knappe weeldejongen in 't leven van Greet Hemming? Net zoo min als zij, Greet, in een juweliers, winkel om er brillanten uit te zoeken, of tante Karlien, met 'r manieren, op een partij bij 'n gravin. Zij peinsde nog even over zijn reizende mama, zeker altijd met veel koffers aan 't spoor, je kon 't je zoo denken, zag het achtelooze afstanden-niet-tellende armgebaar van: „Duitschland, Oostenrijk, Zweden en Noorwegen "

Toen sloot de haar overmannende slaap Greet de oogen. Schijnbaar na een óógenblik, werd zij uit haar staat van onbewustheid gerukt door het schellen van Piet, eerder thuis dan pa en ma, en juist de gang in komend, toen Willemien Pols er door Diana en Lucie zusterlijk werd uitgeleid. „Dag Wim," „dag Mien!" Zoenen en handen. Schelle stemmen.

Héére, wat 'n snoezigheid, dacht Greet, achter het drietal aan. 't Is of zij alles voor ze doet wat ik doe. En Diana, die Willemiens paraplu opstak; DIANA! Oók 'n komedie.

Piet, haar wangen twee gloeiende bolle pioenen, frisch ruikend van de koude vochte straatlucht, was bescheiden uitgeweken voor de visite, en haastte zich met haar natte regenscherm voor Diana en Lucie heen, naar de keuken, werwaarts Greet haar volgde.

„Benne u pa en ma der nóg al niet?" Piet bekeek kritisch haar hoed.

Greet schudde het hoofd, geeuwend.

„Sjees, wat 'n prét mot er dan bij de ouwe draak, ik meen bij Koppers weze, juffrouw, dat ze der nóg niet en benne „Ze geven zeker 'n bal," gaapte Greet weer.