Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

488

overdag eentonig bruin als een rij aaneengeschakelde doozen, zoo eenvoudig, het bruin soms verlevendigd door het groen van een tweedeklasse compartiment; doch 's avonds eerst komend tot leven door hun electrische lampjes, die hun raampjes maakten tot vurige schakels van lichtende kettingen; staarten van licht, die elkaar kruisend, schoten over het donkere viaduct. Overdag, vond Greet, maakte het viaduct, rustend op zijn slanke pijlers, twee aan twee, met in liet midden de poort en trap dalend naar het lange groene eiland — de brug al tot een mooie gaanderij met rechts en links heerlijke vergezichten over de rivier, maar zoo werd het donker, als tusschen de dunne zuilen afwisselend rood en geel de sierlijke lantarens gloeiden, groote bloemklokken van wondergloed, werd het viaduct spookjesmooi.

En Greet, die de groote Parijsche luchten aanbad, kon hier haar hart ophalen aan de prachtige zonsondergangen over de rivier, haar schoonheidsliefde kon zich laven; en starend op het kleurenspel, eiken avond een ander, kon zij soms zich even ontrukken aan haar droefheid. Een breede hemel van rose en rooden bloei, overgaand in bedaagd hla en paars, als een reusachtig fuchsiaveld. Een rosgele, oranjeroode, zijn levenslust vol passie doende uitbarsten in vlammende barning, die wegbleekend ging uitrusten in tevreden en bezadigd zilver. Een blauwe, als turkoois fluweel, met zon als vredige zachtgulden bal, die met het blauw versmolt tot een onnatuurlijk nijlgroen, een afschaduwing schier van het donkere boomengroen. Een hemel die zich in het westen vertoornde tot een kardinaalrood, als stonden Passy, Auteuil en Meudon in brand, terwijl zijn oosten teederde in den zonnigsten liefelijksten lach van blauw, met een enkel goudig wolkje boven de rivier. Een hemel, die den ganschen dag gedruild had, en tegen den avond opklarend, zoo lang parelgrijs bleef, dat Greet dacht: er komt geen donker. Een hemel als door één reuzenpenseelstreek rose geverfd. En dan vertelde Katrien haar mevrouw sekuur en prozaïsch, dat 't morgen warm zou zijn: „hitte madam." Als de avond ten slotte kwam, legde zich vrede in donker fulpen mantel over de wateren en stilde ze, en over alles, en stilde het. Geluidloos gleden de bateaux parisiens nog tot tamelijk laat heen en weer, geen sprankelende zilverslierten als hun spoor achterlatend, gelijk overdag, doch naar omlaag slaande bloedroode robijnen plasjes, of spartelende groene, of ambergele; soms, doch dit was zeldzaam, blauwe van saffieren en paarse van amethysten, al naar hun lantarentjes, die wel dansende kleurige juweelen leken uit een Indisch bonte tiara ; te voorschijn springend en grillig weer verdwijnend. Terwijl de oeverlantarens staag hun gulden pluimen heten sidderen door de zwarte deining. De rivier, zelfs als zij rustte, scheen zich niet te kunnen

Sluiten