Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8

aan een ieder, die in de Maatschappij een eigen positie gewonnen en een zelfstandig levensbestaan verworven had. Als zulk eene concessie, ten behoeve van de sterkeren, geen bezwaar zou ontmoeten, zouden wij ons dan van eene tegemoetkoming voor de zwakkeren moeten onthouden. Willen wij zijn partij des geloofs, dan zijn wij mitsdien ook „partij der kleijne luijden".

Blijkens het voorloopig verslag van het Afdeelingsonderzoek der voorstellen tot herziening van de Grondwet, hebben sommige Kamerleden de meening uitgesproken, dat de kringen der buurtschappen een éénheid vormen, welke de oorspronkelijke cel van het volksorganisme is. Deze gedachte, meer Russisch dan Nederlandsch, wordt door eiken Anti-Revolutionair verworpen. Hij houdt vast aan de overtuiging, dat die cel niet daar, maar in het gezin gevonden wordt, en dat dientengevolge het gezinshoofd als de representant van die cel, in het, uit haar ontplooide, staatkundige leven heeft op te treden. De gehuwde vrouw worde dan ook niet door toekenning van kiesbevoegdheid gelokt buiten de grenzen van het gezin, haar in de Heilige Schrift als het terrein harer bijzondere bemoeiingen aangewezen, en die bevoegdheid ontvalle der ongehuwde vrouw, zoodra zij als echtgenoote het terrein betreedt, dat voorde echte vrouw eene hooge en ideale bekoring heeft. Daar vindt zij in haar natuurlijken beschermer, heur vertegenwoordiger in het publieke leven, en zelfs wanneer die vertegenwoordiging niet zóó is, als dit door de geloovige huisvrouw wordt verlangd, zal ook dat haar geen prikkel mogen zijn om te trachten zich het recht van zetfoptreding in het staatkundige leven te verwerven. In het apostolisch woord : „Desgelijks gij vrouwen ! zijt uwen eigenen mannen „onderdanig; opdat ook, zoo eenigen den woorde ongehoorzaam „zijn ; zij door den wandel der vrouwen, zonder woord mogen geronnen worden", wordt haar gedragslijn bepaald, naar het ons voorkomt ook in deze.

De éénheid van man en vrouw is een geheel eenige, gelijk ons dit door geheel de Heilige Schrift wordt geleerd; de verhouding van de ouders tot hunne kinderen is reeds eene meer verwijderde, waarom de vraag zich voordoet is het paedagogisch juist, en ligt het in de lijn der Heilige Schrift, dat de vader als gezinshoofd blijvend voor sommigen zijner kinderen op staatkundig terrein optreedt. Wij meenen van neen. Als volwassene telkens herinnert te worden van

Sluiten