Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8

de Bataafsche Petroletummaatsohappij, als hoogste inschrijfster, aan te gaan voor de opsporing en winning van petroleum in een ongeveer 336000 H.A. groot terrein in de residentie Djambi.

Motie Aibarda.

Dit ontwerp werd door de He Kamer verworpen door de aanneming van een motie van de heeren Aibarda en Mendels, waarin de wensohelijkhedd van Staatsexploitatie werd uitgesproken.

Tweede ontwerp Pleyte.

Daar Minister Pleyte de bezwaren, aan Staatsexploitatie verbonden, onoverkomelijk achtte, werd door hem geen daartoe strekkend voorstel gedaan, doch sloeg hij een middenweg in. In 1917 werd door them een wetsontwerp ingediend, dat ging in de richting van een ongeveer gelijktijdig met de motie-Albarda bij de behandeling van zijn eerste wetsontwerp ingediende mótiede Meester, die toen door den loop der omstandigheden niet in stemming gekomen was, doch waarvan wel gebleken was dat ze van verschillende zijden sympathie had gevonden.

Het wetsvoorstel strekte om ale petroleumterreinen in de residentie Djambi in handen te geven van eene speciaal daarvoor op te richten naamlooze vennootschap : de Djambi Aardolie Maatschappij, op wier gestie het Land een overwegenden invloed zou hebben. . ,

Dit ontwerp is echter, nadat in Maart 1918 een Voorloopig Verslag was uitgebracht, tengevolge van het spoedig daarop gevolgde aftreden van Minister Pleyte, blijven liggen.

De zaak werd door Minister Idenburg bij diens optreden in 1918 dus onafgedaan gevonden. Hij heeft haar andermaal ter hand genomen en de voorbereiding der afdoening was bij zijn aftreden in 1919 reeds vrij ver gevorderd.

Wetsontwerp de Graaft.

Minister de Graaff heeft op die grondslagen voortgebouwd en het wetsontwerp ingediend, dat in de laatste maanden in en buiten de Volksvertegenwoordiging zeer de aandacht heeft getrokien. Ook dit ontwerp beoogt de oprichting van een maatschappij speciaal voor de exploitatie van de aardolievelden van Djambi. Artikel 1 van het thans met eenige wijziging tot wet verheven ontwerp vangt aldus aan :

(1) De Minister van Koloniën wordt gemachtigd om met inachtneming van de bepalingen dezer wet voor en namens Nederlandsch-Indië met de door hem aan te wjjzen persoon of personen eene naamlooze vennootschap op te richten, genaamd „Nederlandsen-Indische Aardolie Maatschappij", welke ten doel heeft :

Sluiten