is toegevoegd aan uw favorieten.

Rapport over de opsporing van delfstoffen in Nederlandsch Indië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

107

in het algemeen onze kennis verrijken nopens het voorkomen van nuttige delfstoffen in den archipel, zoowel ten bate van Gouvernements-ontginningen als ter bevordering van de particuliere nijverheid. 'Het doel van den dienst zij bij uitsték practisch, wat kan en moet samengaan met bevordering der wetenschap, ofschoon werk, dat uitsluitend wetenschappelijk belang heeft, als regel door den dienst aan anderen moet worden overgelaten, zij het dan ook, dat hieraan alle steun wordt verleend. Hoe dit doel in bijzonderheden moet worden nagestreefd is op blz. 52 geresumeerd.

§ 2. Ter uitvoering van de in Paragraaf 1 omschreven taak geschieden „verkenningen" en „opsporingen", naast bewerking der resultaten aan een centraal hoofdbureau.

Het personeel bestaat gedeeltelijk uit wetenschappelijk gevormde mijningenieurs en ingenieur-geologen, gedeeltelijk uit een ruim hulppersoneel, ten deele Europeesche opzichters en prospectors, ten deele inlandsch personeel: van het laatste kan bij de noodige zorg voor opleiding en selectie, op ruimer schaal dan tot dusverre worden gebruik gemaakt.

Ten einde te bereiken dat de dienst in staat zij zooveel mogelijk te werken met Nederlandsch wetenschappelijk personeel, zij de opleiding van mijningenieurs en geologen in het moederland zoodanig, dat voldoende rekening gehouden wordt met de eischen van den Indischen dienst en de voorbereiding daartoe worde aangemoedigd. Steeds moet h/t personeel te velde uit physiek krachtige personen bestaan, terwijl de hoofdleider met bijzondere zorg moet waken over den gezondheidstoestand.

§ 3. Het bestaande mijnwezen worde gereorganiseerd in dier voege dat voortgegaan wordt het te ontlasten van overmatige administratieve bemoeiingen, door met name het toezicht op de veiligheid in de mijnen en de cynsheffing daarvan af te scheiden en zoo mogelijk ook de uitvoering der mijnordonnantie, nopens vergunnings- en concessieaanvragen. Deze laatste bemoeiing wordt echter zeer vereenvoudigd, ten eersté door de opvolging van de in het tweede hoofdstuk gegeven adviezen, met de daarvoor noodzakelijke wetswijziging, en verder, naar ik hoop, door eene eveneens urgente vereenvoudiging der voorschriften. Het mijnwezen wordt alsdan teruggebracht tot een feitelijken mijnbouwkundig geologischen en hydrologischen (grondpeilwezen) opsporingsdienst. Het verdient overweging ook den naam „Mijnwezen" in dien zin te veranderen.

De leider van dien opsporingsdienst bekleedt dan eene zelfstandige betrekking, rechtstreeks onder den Directeur van het betrokken Departement.

Mocht onverhoopt de. bedoelde ontlasting van het Mijnwezen niet te verwezenlijken zijn, dan zoude met nadruk moeten geadviseerd worden tot de afsplitsing van een afzonderlijken geologisch mijnbouwkundigen opsporingsdienst van het Mijnwezen.

Het hoofdbureau worde gevestigd in een zooveel mogelijk koel klimaat, bij voorkeur te Bandoeng, teneinde het veldpersoneel geregeld gelegenheid te geven tijdens het uitwerken der gegevens weer op krachten te komen. Aan het hoofdbureau is verbonden een laboratorium, een museum en een feitelijk inlichtingsbureau voor het publiek (geen expertises).

Er worde op ruime schaal gewerkt met personeel in tijdelijken dienst, doch er besta een kern in vasten dienst, als regel verkregen door selectie uit het tijdelijke personeel.

Er bestaan medewerkers, bij voorkeur onder in Nederland gevestigde geologen, aan wie werkzaamheden kunnen worden opgedragen, die niet in Indie behoeven te worden verricht; verder zoo mogelijk onder belangstellenden in Indie.

De salarieering van het personeel is besproken op blz. 90 e.v. en geresumeerd op blz. 94.

Be hopende jaarlijksche kósten zijn afhankelijk van het tempo, waarin men het werk wil verrichten. Wanneer men jaarlijks f 350 000.— a f 400 000.— aan opsporingen besteedt (waarbij dan pl.m. f 190 000.— komen voor kosten van het hoofdbureau) is echter een zeer ruim werkplan te verwezenlijken, in een aanmerkelijk sneller tempo dan het huidige. Het budget wordt dan f 500 000.— a ƒ600 000.—, plus de kosten van het voorloopig onveranderd grondpeilwezen.