is toegevoegd aan uw favorieten.

Rapport over de opsporing van delfstoffen in Nederlandsch Indië

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

108

De opsporingen van het Mijnwezen vereischen in de laatste 5 jaren (exclusive de belangrijke kosten van het hoofdbureau):

1908: f 170 544.—. Het totale budget was f 1909: „ 215 875.—. „ „ „ „ „ 786 214.— 1910: „ 248 465.—. „ „ „ „ „ 799 456.— 1911: „ 410 578.—. „ „ „ „ „ 962 709.— 1912: „ 444 246.—. „ „ „ „ „ 1006 202.— (inclusief het Grondpeilwezen).

Over 1913 en 1914 worden de totale kosten geraamd te zullen bedragen resp. f 1 104 965.— en f 1 303.130.—.

De eenmalige kosten eener eventueele overplaatsing van den dienst naar Bandoeng zijn te ramen op rond f 225 000.—, kosten, die ten deele echter toch gemaakt moeten worden, öök al blijft de dienst te Batavia, zoodat de met eene verplaatsing gemoeide meer kosten op plm. één ton zijn te ramen.

§ 4. De reorganisatie van den opsporingsdienst, zoomede de, ingevolge de in het Ilde hoofdstuk geadviseerde, noodzakelijke wijziging in de mijnwet, behoeven allerminst stagnatie te brengen in den voortgang van het werk, dit kan en moet integendeel reeds dadelijk geregeld met nog vermeerderde kracht worden voortgezet.

Bijzonder urgent is eene samenvattende studie van de zeer vele reeds nopens Indië bestaande, maar jammerlijke verspreide gegevens, ten einde op te stellen een betrouwbaar geotectonisch overzicht van den bouw van den archipel, volgens de moderne inzichten ten deze, en een daarop gebaseerde werkhypothese voor eene verderen systematischen arbeid en met name voor eene spoedige keuze der Regeering ter zake van de alsnog te reserveeren, dan wel vrij te laten terreinen en delfstofafzettingen.

Deze studie moet grootendeels in Europa geschieden: en zal vermoedelijk één tot anderhalf jaar vereischen; men belaste met dit hoogstbelangrijk werk een bekwaam jong geoloog met geotectonische- en veld-ervaring, in samenwerking met twee oudere liefst Nëderlandsche geologen, ter verzekering van de steekhoudendheid der te trekken conclusies.

Er zijn verschillende opsporingen en verkenningen, wier noodzakelijkheid reeds voldoende vaststaat en die inmiddels voortgang kunnen hebben,, zoodat het werk allerminst stagnatie behoeft te ondergaan.