is toegevoegd aan uw favorieten.

Nagelaten vertellingen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VROUW SCHENK.

83

De boerin was keurig op z'n ouderwets gekleed, en de breeduitstaande, wijde mouwen, de ruimgeplooide rok, voor het grootste gedeelte bedekt door een frisschen, frieschbonten boezelaar, de diep-donkerrood en zwart-gebloemde halsdoek, de vier snoeren groote bloedkoralen om haar gevulden hals, de fijne, witkanten trekmuts, verhoogden nog de welgedaanheid van haar voorkomen.

Langzaam, diep-zuchtend, met de wit-vleezige handen steunend op de zijleuningen, liet de vrouw zich neer in den gemakkelijken stoel, zette haar voeten, die in lekkere lakensche pantoffels staken, op de warme stoof, en begon onverwijld, zonder een blik om zich heen te slaan, aan haar ontbijt. Het zachte eitje, het versche kadetje en drie sneden weitebrood met dik boter er op, iedere hap weggespoeld met een slokje koffie met suiker, gingen er glad en smakelijk in.

Nu zij verzadigd was, keek vrouw Schenk eens om zich heen. De ontevreden trek op haar gezicht verscherpte zich en zij mompelde:

„Waar zit die Mat toch altijd! Ze kon toch best

es effe komme, ze late me ook maar altijd alleen!" en plotseling boos wordend, riep ze met een luide, ongeduldige stem: „Mat! Mat!"

Matje kwam dadelijk aanloopen en zei vriendelijk:

— „Zoomoeder! hoebêje?" gaet 't nog al vandaag ?"

— „Hoe bê je? hoebêje?", herhaalde haar moeder knorrig, „dat weet je wel, hoe ik bin! Miseroabel! ik