Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4

Het laatste kwartaal van de zestiende eeuw is de tijd van snelle opkomst en grootsten bloei van de Zeeuwsche eilanden. Voorbeeldeloos vlug herstelde Walcheren zich van de ellende, in het begin van den opstand geleden. Na Antwerpens val en het grootendeels terugtrekken van den handel naar den mond der Schelde, was Middelburg de eerste erfgenaam van zijn roem; in zeer korten tijd liet het de andere Zeeuwsche steden achter zich, om te wedijveren met de grootste in Holland. Maar die buitengewone bloei duurde niet lang; hij scheen wel gebonden aan de wisselvallige ontwikkelingsjaren der nieuwe vrijheid. Al in het begin der zeventiende eeuw trad de kentering in. Terwijl Holland zich niet alleen gestadig hooger maar ook breeder en veelzijdiger ontwikkelde, viel Zeeland toen al weer in een betrekkelijken stilstand terug. De Merchant Adventurers — om dien gang van zaken met een buitenlandsch oordeel te kenteekenen — hadden in 1598, tot ergenis van Holland, Middelburg verkozen voor de vestiging van hun hoofdzetel, maar al tijdens het Bestand dachten de Engelschen weer aan verplaatsing naar een Hollandsche stad; niettegenstaande het verzet van Middelburg, werd de „court" in 1621 naar Delft overgebracht. Door de nauwe verbintenis met Holland bleef van daar op Zeeland een glans afstralen, maar ook bracht de nabijheid van den grooten buurman het eerder tot den tweeden rang. Deze verhouding verklaart bij de Zeeuwen het opzien tot en de jaloezie tevens op de leidende provincie, welke samengingen met een angstvallig verzet tegen te grooten invloed van die zijde. De gezamenlijke rechterlijke instellingen, Hooge Raad en Hof van Holland, waren het eenige dat de Zeeuwen gereedelijk aanvaardden; overigens bleven zij niet achter bij de tegenkanting van de overige deelen der Unie tegen Holland, dat sinds den tijd van Leicester in toenemende mate zijn suprematie trachtte te doen erkennen.

Zoo ging het geestelijk leven van Zeeland in de zeventiende eeuw bij uitstek iets provinciaals, in den zin van achterlijks en eenzijdigs, vertoonen tegenover het alzijdige en oneindig geschakeerde in Holland; evenals het type van den Zeeuw veel meer één was tegenover de bewoners van Holland, waar alle vormen van het Nederlanderschap dier dagen vertegenwoordigd schenen. In de oude kluchtspelen was de Zeeuw bij de hand en slim, op bedriegen af; en de Hollander van die goedige onnoozelheid, die met „bot" werd aangeduid. De zeventiend'eeuwsche Hollander had dit epitheton niet zoo herhaaldelijk

Sluiten