Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8

Te Delft worden voor de scholen van on- en minvermogenden — de overige scholen laten wij bij het bespreken van dit stelsel buiten beschouwing — eens per jaar, in April, leerlingen aangenomen. Het aantal 1.1. wordt meestal zoo verdeeld over de vier bovengenoemde scholen, dat in elke school twee klassen kunnen gevormd worden. Op elke school worden dus jaarlijks 60 — 80 leerlingen geplaatst. Dit aantal wordt in twee groepen, een vlugge klasse en een minder vlugge klasse gesplitst, waarbij — voor zoo verre zulks mogelijk is — rekening wordt gehouden met den indruk, dien men van bepaalde familie's heeft gekregen. Als men eenige jaren aan een zelfde school heeft gewerkt, kent men de familie's en heeft die leeren onderscheiden in intellectueelen en minder intellectueelen. Vaak komt het voor, dat men de ouders als leerling op school heeft gehad. Op deze splitsing zijn wel veel aanmerkingen te maken, immers tal van vergissingen kunnen er het gevolg van zijn. De tijd zal deze wel corrigeeren.

Na drie, vier maanden klaagt een der onderwijzeressen over de geringe resultaten van sommige harer leerlingen. Deze minder vlugge worden geruild met ongeveer evenveel van de beste uit de andere aanvangsklasse. Als het jaar voorbij is, heeft men de goede van de minder goede leerlingen gescheiden. Men spreekt dan van A- en B-klassen.

In de A-klasse zitten dan de meer begaafden, in de B-klasse de minder begaafden en zwakzinnigen. In de A-klasse zitten ook de normale leerlingen, die het voorgaande jaar niet overgeplaatst konden worden, omdat ze te weinig vorderingen hadden gemaakt.

Sluiten