is toegevoegd aan je favorieten.

Catalogussen van de bij het stads-archief bewaarde archieven

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

X. ARCHIEF VAN DE ARMEN-NOODHULP.

N.B. Op Zaterdag na St. Jacob 1496 heeft eene Utrechtsche vrouw, die onbekend wilde blijven, aan de beheerders der drie groote Utrechtsche gasthuizen eene som van 200 Rijnsche guldens geschonken, om daarvoor een kelder te koopen of te huren, ter bewaring van tui f, die men 's winters aan de armen uitdeelen zou (hierna n° 2262). Dit was de oorsprong van de groote fundatie de Armen-noodhulp, die in de middeleeuwen het middelpunt was van de niet-kerkelijke armenzorg der Utrechtsche burgerij en die door tallooze schenkingen en legaten langzamerhand uitgebreid is tot eene rijke fundatie, die zelve weder allerlei andere kleine fundaties beheerde.

Volgens eene ordonnantie van 1552 (Muller, Gesch. der fund. p. 228) zouden de beheerders van een der drie groote gasthuizen bij tourbeurt elke twee jaar een „ontfanger" van de goederen der Armen-noodhulp verkiezen, terwijl de uitdeelingen toevertrouwd waren aan drie hem toegevoegde „Noodhulp-meesters", gekozen uit de broederschappen der drie gasthuizen. Later (vóór het midden der 17e eeuw) werd tot assistentie van den ontvanger, die toen „superintendent" heette, nog een rentmeester aangesteld.

Turf-uitdeelingen waren het primitieve doel van de Armen-noodhulp; de Noodhulp had zelfs geruimen tijd eigene venen, om in de behoefte aan turf te voorzien (zie hierna n° 2271). Bovendien werd reeds dadelijk (althans vóór 1503) een betrekkelijk groot bedrag aan geld door de Noodhulp-meesters uitgedeeld. De uitdeelingen geschiedden om de veertien dagen, van het begin van December tot half Maart.

Sedert 1550 begon de Armen-noodhulp ook met eene nieuwe soort van uitdeelingen, de brood-uitdeelingen; niet veel later (1554) werden daarbij nog uitdeelingen van kleederen (schoenen, wollen en linnen lakens) gevoegd. Deze jongere categorieën van uitdeelingen geschiedden echter niet geregeld om de veertien dagen uit de eigene fondsen van de Noodhulp, maar slechts op enkele bepaalde dagen van het jaar krachtens speciale, door de Noodhulpmeesters beheerde fundatiën.

In 1692 werd, naar aanleiding van gepleegde malversatiën, het ingewikkelde beheer van al deze fundatifin vereenvoudigd en onder ééne post gebracht; alleen de uitdeelingen uit de fundatie van aartsbisschop Schenck, die in den vorm van preuves geschiedden, bleven door deze omstandigheid verschoond van de algemeene amalgamatie.