is toegevoegd aan uw favorieten.

De zin der vergelding

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

93

selik gevoelen „toekomt" aan deugd en ondeugd, aan wie goed of slecht, edel of gemeen is. Dit belangrijk feit vereist afzonderlike beschouwing.

Een der grondfeiten toch ten aanzien van het „verdiende" lief en leed is een geheel van voorstellingen en eisen omtrent een zeker, als behoorlik beschouwd, verband tussen 's mensen zedelike waarde in 't algemeen, zijn goedheid of slechtheid, „deugd" of „zonde", karakteradel of gemeenheid enerzijds en zijn levenslot, verheuging en voorspoed of leed en teleurstelling anderzijds, met dien verstande, dat goedheid en geluk „bijeenhoren" evenals slechtheid en rampspoed; het feit dus, dat heel de mensheid aan wie „goed" is vreugde „gunt" niet alleen, maar ook het gevoel heeft, dat deze vreugde behoort te worden gegund, als iets wat hij „verdient", wat hem toekomt — en omgekeerd, dat men algemeen — behoudens de storende omstandigheid van zekere de zedelike toerekening opheffende theorieën — aan wie onzedelik, laag, gemeen is zeker leed gunt niet alleen, maar ook met het onmiskenbaar gevoel, dat dit leed zedelik mag en zelfs moet worden gegund, weer als iets wat „verdiend" is, wat hem „toekomt", naar eis van „gerechtigheid". x) „Rechtvaardigheid", zo voelt men het algemeen, eist, dat het de goeden goed ga, de slechten slecht. Het omgekeerde, de voorspoed der slechten en het lijden der goeden wordt gevoeld als een ethiese disharmonie, een wanklank, iets onduldbaars, een wanverhouding, die „vereffening" of „herstel" vergt door compenserend, „weer goed makend" lief of leed. Deze „vereffening" is voor het geloof alom de taak van een of meer goden, die opzettelik tot dit doel worden gepostuleerd, tot verwezenliking dus van wat inzonderheid de theologie pleegt te noemen de „zedelike wereldorde". En wanneer de ervaring met deze gerechtigheidseisen al te zeer in strijd blijft, wanneer in „deze wereld" de slechtheid juicht en triumfeert en het goede vervolgd en vertrapt wordt, dan overschrijdt men eenvoudig de wereld der ervaring om in een „hiernamaals" met zijn genietingen en zijn kwellingen troost en vergoeding te vinden voor de leemten en onrechtvaardigheden der aardse lotsbedéling — of wel, men neemt zijn toevlucht tot een hiervoormaals met zijn zonden en verdiensten ter rechtvaardiging van een ieders levensloopbaan als zijn verdiende loon voor eigen ,,daad"v

Dit feitenkomplex, waarvan ons de grote godsdiensten der volken over heel de aarde, van de vroegste historiese tijden tot op heden het overstelpend bewijsmateriaal leveren, is vooral in één opzicht merkwaardig, nl. om het nauw verband tussen „verdiend" lief of leed enerzijds en zedelike toerekening anderzijds in het licht te stellen. Immers, het is onjuist, wat Spencer in zijn rechtsleer beweert — en in zekere zin ook Mr. Kranen-

i) Vgk., om een enkel voorbeeld te noemen, Martineau, Types of Ethical Theory ii: i : ch. 6 8 li: „What, then, is this love of Justice? The love of proportionaie- treatment of men and their character according to their worth" etc.