Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2

wij kregen Nieuwediep te zien zooals die plaats zich niet altijd voordoet. In den trein reeds hadden we kennis gemaakt, wij allen met dezelfde carrière voor oogen, en weinige uren verder stonden we, in uniform, in het mooie gebouw aan den dijk langs de haven, „het Koninklijk Instituut voor de Marine", waarvoor staat opgesteld de mast van Van Speijk, met de driekleur er aan geheschen, als blijvende herinnering aan de opoffering van dien jongen zeeheld.

Wat gevoelden wij ons aanvankelijk vreemd in de zoo verlangde adelborstenuniform, het baadje met rooden kraag, de blauwlaken pet op het hoofd, met de oranje kokarde. In de receptiezaal verzamelden we ons; de kommandant van het Instituut nam het woord, en heette ons allen welkom. Hij sprak ons hartelijk toe, wees er ons op dat wij van dit oogenblik af aan geheel doordrongen moeten zijn dat we hebben te beantwoorden aan de eischen door de krijgstucht gesteld en dat wij ons mooten gedragen volgens de bepalingen van de reglementen op de discipline en den inwendigen dienst.

Wij zijn nu militair, we hebben van het burgerleven afscheid genomen, we hebben ons verbonden om na benoeming tot adelborst der le klasse, het Rijk tien volle jaren te blijven dienen. Vergeten moeten wij evenwel niet dat we nog maar zijn in het jongste studiejaar en „baar" zijn geheeten. Wel hadden enkelen van het oudste jaar, die me kenden, me „en amitié" genomen. Een was mijn zeevader, doch als baar hadden wij iedereen te gehoorzamen; tegenspreken mochten we natuurlijk niet, we moesten weten wat niemand wist en antwoord geven op vragen die geen mensch kon begrijpen. We moesten verzen maken, moppen tappen, standjes slikken, zeetermen leeren tot de meest vreemden incluis en adjudant zijn van een adelborst van het oudste studiejaar dien we als knecht hadden te dienen. Zoo ging het negen volle maanden tot ook wij ontslagen werden uit onze positie van baar en het oudste jaar met de „Urania' naar zee vertrok.

Wat al vreemde termen leerden die ouderen ons, het was ongeloofelijk en toch zijn spaansche ruiter, ezelshoofd, grietje's schoot, papegaaistok, aap, slooiknie, staand lijk, geert, en vele anderen, termen die voor het tuig van een schip en den scheepsbouw een ieder in zijn woordenboek heeft staan.

Het Rijk kende ons zakgeld toe, veertig cents in de week tijdens het jongste studiejaar, opklimmend tot zestig in het oudste, cijfers voor ons van beteekenis omdat het ons eigen

Sluiten