is toegevoegd aan uw favorieten.

De oorsprong der Grieksche wijsbegeerte

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nemen dus mysterietaai; in dien trant vernemen wij (op blz. 80) van Grashof, dat al hetgeen de wqzen zoeken in Mercurius of Azoth schuilt. Om dit te begrijpen, bedenke men allereerst, dat Mercurius staat voor Hermes, dat deze naar de eene zijde den wqzen Babylonischen god, planeetgeest en morgenster of hemelschen bode Nabu van Borsippal, naar de andere Thouth of Dehowte vertegenwoordigt, de persoonsverbeelding voor Egyptische kunst, kunde en rede, voor de Mgyptisch goddelijke wijsheid, en dat deze Thouth, „de groote god, de heer des hemels," te Sjmoen oi Hermoupolis in Midden-iEgypte met vier paar mindere goden eene Negenheid heet te hebben uitgemaakt.2 Oorspronkelijk zal deze Paut Noeteroe, deze Enneas oi Negenheid van goden, wel niet 'elementair' natuurlijk zijn gedacht. Doch met de vier elementen en de aethe rische quintessentie moet zij later verbonden zijn heet Hermes in de dagen van Nero (54—68) bq Cor nutus ('over het wezen der goden') „de logos, dien uil den hemel de goden ons hebben toegezonden", bij dei Alexandrijnschen Philo ('over vluchtelingen' 20) hee de goddelqke logos of rede met de vier elementen ei hunne voortbrengselen bekleed, en „denkend pneuma' heet in het Alexandrijnsche boek der wijsheid (7 :22

1) Tot Nabü, den wijzen geheimschrijver van Mardok, heeft nog d Seleucide Antiochus Soter (281—261) een gebed gericht, toen hg te Boi sippa diens tempel Ezida had laten herstellen.

2) De Negenheid was oorspronkelijk de groote Negenheid van Osiris e: Bé', den zonnegod van On. Haar Thouth was als maangod diens vertegei woordiger en plaatsvervanger, en er waren andere negenheden bijgekomei Zie blz. 436. 438 in het boek van H. Schneider over beschaving en denke der oude JSgyptenaren (21909), waarin men ook lezen kan, dat de ibi Thouth als god van de wijsheid de wijze arts en beschermheer der schri vers was, en dat men heeft gefabeld over 'het boek van Thouth', hetwel twee tooverspreuken inhield, die alle macht in hemel en op aarde ve: leenden. (Vgl. hier Matth. 28:18.)

118