is toegevoegd aan uw favorieten.

Persoonlijke religie in Israel tot op Jerimia

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

105

„religiöse Grösze'' is, en met de stelling dat voor Jahwe alleen het volk geldt, zijn deze niet weg te cijferen gegevens, in Jlagranten stry'd.

Ook de theofore namen wijzen beslist dien kant uit; zij toch spreken de gedachte uit, dat de dragers, in 't bijzonder, onder zijn leiding staan, en zich tot hem in persoonlijke betrekking weten, of zoo men zoover niet gaan wil tot de dragers, dan hebben toch stellig de ouders bij de naamgeving deze bedoeling er in willen leggen; de zaak blijft dus van dezelfde bewijskracht alwordt zij dan ook een generatie verplaatst. Uit meerdere, herinneren wij aan Jozua, Micha, Samuel, Jonathan, Elia enz. Opmerkehjk is hierbij dat ook de vrouwen zulke namen dragen, Jochebed (Ex. 6:20), Mikajahoe (moeder van Abia), Athalia (dochter van Achab).

Het zou toch een ernstig, zoo geen onoverkomelijk bezwaar zijn tegen de voorstelling die ik hier zoek te verdedigen, indien de vrouw in het Jahwisme geen zelfstandige plaats vond. Zoo toch stelt Smend*) het voor dat: „die Jahve-religion die Weiber viel weniger anging als die Manner" en ook Stade verzekert Israels godsdienst was „von jeher eine Religion der Manner'', en niet anders Schwally in: das Leben nach dem Tode. Nu heeft Löhr in een monografie over dit onderwerp, aangetoond dat, en waarom, eerst in later eeuwen de vrouw naar den achtergrond is gedrongen en dat wat Smend, Stade e. a. hebben uitgesproken eerst gelden kan voor de Joodsche gemeente na de ballingschap. Wij wezen reeds op de gevallen waarin de moeder haar kind een theofore naam geeft en daardoor haar afhankelijkheid van Jahwe uitspreekt. Jahwe neemt de bede van de kinderlooze Rachel (Gen. 30:22) en Hanna ter harte (1 Sam. 2:20). Hij beloont de joodsche vroedvrouwen in Egypte en „deed het hun goedgaan'' Ex. 1 :20; Jahwe moet de dochters van Laban in het nieuwe vaderland inzonderheid beschermen (Gen. 31 :50) en de verstooten Hagar ondervindt zijn hulp (Gen. 16:8, 21:17). Als aan Thamar's recht niet wordt voldaan, straft Jahwe dit aan Onan met den dood en toont daarmede tegelijk, dat hij zelfs verborgen zonden kent en aan den

!) Smend, A. T. Religionsgeschichte, S 165.