is toegevoegd aan uw favorieten.

Het schaakprobleem

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

90

Behalve 9°, dat als verouderd beschouwd kan worden, bevatten al deze „kunstgeboden" behartigingswaardige wenken, méér niet 1 Doordat Berger wanhopige pogingen doet zijn eigen scheppingen steeds in het zelfgekozen keurslijf te wringen, missen zij de eerste eigenschap van waarachtige kunst: Spontaniteit. Een werkelijk kunstenaar leutert ook niet aanhoudend over kunst, kunstregels en kunstgeboden, edele geest, veredeling en dergelijke hoogdravendheden. Heel het streven van Berger is erop gericht geweest problemen te maken, die zoo goed mogelijk aan de 9 regels voldoen; hij heeft zichzelf allereerst tot slachtoffer zijner eigen dogma's gemaakt. Dat bewijst althans, dat hij het eerlijk meent en daarom moeten we hem vergeven, dat hij de jonge Duitsche problematiek zoozeer aan banden gelegd heeft, dat van ontwikkeling geen sprake was. Berger is het sterkst en best, wanneer hij moeilijk hanteerbare ideeën uitwerkt, die stille zetten vereischen. In dat werk heeft hij door noeste vlijt een groote vaardigheid verkregen; sierlijk¬

heid, soepelheid en humor zoekt men bij hem tevergeefs. Een goed staaltje van zijn werk is No. 84. Bij de toelichting van dit probleem, waarin de geweldige moeilijkheden aan het obstructie- i thema verbonden, (iedere andere zet lijkt kansrijker dan het verstoppen van pion d2!) kranig zijn overwonnen, verklaart Berger de opstelling als partijwaarschijnlijk niettegenstaande enkele dubbelpionnen, „voldoende verontschuldigd door het moei-

i. Laai ï. Lh4: 2. uc3! ii]Ke tnema. uie partij waar-

1. — 1. Taj 2. Lg6 (i"|e dreiging) schijnlijkheid laaf mij koud, 1. - I. hg5: 2. Ddi (20« dreiging) maar de partijspeler, die de ontwikkeling van zijn damelooper zoo verwaarloosde als wit in dit probleem gedaan heeft, zou van meester Berger waarschijnlijk een ernstige vermaning krijgen.

No. 84. J. Berger.

(Das Schachproblem 1884).

Mat in drie zetten.