Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SLEUTEL VOOR DEN GEBRUIKER.

I. Af

aank. — aankondigend.

aardk. — aardkunde.

aardr. — aardrijkskunde.

afl. — afleiding.

ald. — aldaar.

alg. ■— algebra, algebraïsch.

algem. — algemeen.

Barg. — Bargoensch.

beeldh. — beeldhouwkunst.

bep. — bepaling.

bet. — beteekent, beteekenis.

Böb. — Bijbel.

bij overdr. — bij overdracht.

htjz. — in 't bijzonder.

bij uitbr. — bij uitbreiding.

bü verk. — bij verkorting.

bilj. — biljart.

bn- — bijvoeglijk naamwoord.

boëkdr. — boekdrukkunst.

boekh. — boekhandel. .

bouwk. — bouwkunde.

bv. of b.v. — bijvoorbeeld.

bw. — bijwoord, bijw. uitdrukking.

cosmogr., cosm. — cosmographie.

d. — de, der.

dansk. — danskunst.

delfst. — delfstof.

delfstofk. — delfstofkunde.

den. — denominatief.

dicht. — dichterlijk.

dichtk. — dichtkunde.

dw. — onvoltooid deelwoord.

o. — een, eene ; en.

ecorï. — economie.

eig. — eigenlijk, eigenlijke beteekenis.

ellipt. — elliptisch, d.i. met uitlating.

Eng. — Engeland, Engelsch, Eugelschen.

enk. — enkelvoud.

enz. — en- zoo voort.

fab. — fabelleer of mythologie.

fam. — familie.

fis- — figuurlijk, figuurlijke beteekenis. fot. — fotografie.

Er. — Fransch, uit het Eransch; Frankrijk, freq. — frequentatief, geb. — geboren. .

geneesk. — geneeskunde, geneeskundig, germ. — germanisme.

DRTINGEN.

I gesch. — geschiedenis, geschiedkundig, gest. — gestorven, sew. — gewestelijk of provinciaal, gmv. — geen meervoud, gmz. — gemeenzaam, tot den alledaag-

schen spreektrant behoorende. godg. — godgeleerd, godgeleerdheid. Gr. — Grleksch, Griekenland, Grieken, gymn. — gymnastiek. H. — Heilig, Heilige, hand. — handel. Hebr. — Hebreeuwsch. heelk. — heelkunde.

Herv. — Hervorming, Hervormde godsdienst.

iem. — iemand ; iems — iemands.

i.d. ; i.e. ; i.h. — in de(n); in een; In het. | inz. —• inzonderheid.

ir., iron. — ironisch, Ironiek.

ïsr- — Israëlieten, Israëlietisch.

Ital. — Italiaansch.

jagerst. — jagersterm.

J&v. — Java. Javaansch.

kerkgesch. — kerkgeschiedenis.

klankn. — klanknabootsing.

kleerm. — kleermakerij.

kleinacht. — kleinachtend.

krijgsw. — krijgswezen, ii. — in.

landb. — landbouw. ! Lat. — Latijn, Latijnse]]. { 1. — lees.

Iett. •— letterlijk.

letterk. — letterkunde.

Mal. — Maleisen.

m. — mannelijk.

m. — met. I mar. — marine.

meetk. — meetkunde, meetkundig.

mets. — metselen, metselaar.

mil., milit. militair (krijgswezen). : minacht. — minachtend.

muz. — muziek, muziekleer.

mv. — meervoud. ; myth. — Gr. mythologie ; ook : mythologisch.

| N. — noord, noorden, noordelijk, noorder. N.-N. — Noord-Nederland.

Sluiten