Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

484

KENSCHETS.

" (lichtraam), o. —ramen; •—rat of —rot (in den kelder levende rat), v. —ten; —spin (groote zwarte spin onzer kelders), v. —spinnen; —tje (kistje met likeur flesschen), o. —s; —trap (trap naar een kelder), v. —trappen; <—winde (dommekracht), v. —winden; —woning (kelder als woning dienende), v. —woningen.

I. Ke'len (wapenk. van keel d.i. rood), bn.: een — leeuw, op een veld van goud.

II. Ke'len (ae keel afsteken, dooden), de slager keelde, heeft het varken gekeeld.

Kelk (drinkbeker op hoogen voet, inz. de beker, die hij het Avondmaal en in de Mie gebruikt wordt; ook: wijnglas; plantk. het groene bloembekleedsel; beschutting van meeldraden en stampers), na. —en: een gouden —; fig. de — des tijdens, Bijbel; —blad (een der bladen v. d. bloemkelk), o. —en; verkl. —blaadje, o.—s.

Kelk'slandigen (planten met bloembladen en meeldraden, op d. kelk ingeplant), v. mv.

Kell'ner (bediende in hotel of café; Jan; garcon), m. —s.

Kellnerin' (vrouw, café-bediende), v. —nen.

Kelp (ruwe soda), v. gmv.; —planten (zeewieren, bij verbranding kelp opleverend), v.

Kel'ten (oudtijds Indogermaansche stam tn W.-Europa), m. mv.; ook C e 11 e n: tot de — worden o.a. de Ieren gerekend.

Kel'tisch 1 (van, eigen aan, zooals bij, betrekking hebbende op de Kelten), bn.: de —e taal; de —e volksaard was moedig doch opvliegend; 2 (de taal der Kelten), o.: het — wordt nog gesproken in een deel van Ierland en op eenige eilanden bij Engeland; ook Cel ti sch.

Kern'ben (O.-I. vrouwenkleedij: lange breede strook tot dekking van het bovenlijf, in de Vorstenlanden nog in zwang), v. —s.

Kem'bifigs (O.-I. zeker weefsel), v. gmv.w

Ke'mel (andere spelling v. het woord kameel), m. kemels:— en ros zijn de vrienden van den Arabier; —drijver (kameeldrijver), m. ■—s.

Ke'mcls garen (draden, van kemelshaar j gesponnen), o. gmv.; —haar (haar v. d. \ kemel, van de kemelgeit of Angorageit; de wol er van bereid), o. gmv.; —haren, bn.: een — doekje.

Kemcna'de (vrouwenvertrek der middel- j eeuwen), v. —s.

Ke'miriboom (O.-I. boom der kampongs op Java, wiens vruchtpitten de kemiri-olie \ opleveren), m.-boomen.

Kemp, ken'nep (volkst. hennep), m. gmv.

Kem'pcn, v. mv.; —land, o. gmv.: aardr. een der vier voormalige kwartieren van de Meierij, om Eindhoven en zuidwaarts over de Belgische grens tot voorbij Turnhout; de grond is hel- of zandgrond.

Kemp'haan (1 eig. kamphaan: steltlooper, snipachtige vogel ter grootte van een tortel; 2 vechtersbaas, voorvechter), ra.—hanen: 1 de — is in den paartijd zeer strijdlustig; 2 de twee —hanen v. h. dorp.

Ken'baar (te kennen), bn.; —der, —st: — zijn; hij is — aan zijn taal; een — teeken, waaraan men nl. iets kan kennen of herkennen.

Ken'dang (O.-I. voornaamste stag-instrument der gamélan-muziek: een vaasvor- \

mige kist, boven en onder met een soort v. trommelvel bespannen),, v. —s. Ken'dang, k a n'd eng (O.-I, bergketen), m. —s.

Ken'dl (O.-I. aarden waterkruik, waarin het water koel blijft), v. —'s; ook, G e n d i.

Ke'nen (openspringen, bersten), keende, is gekeend: het zaad begint te —, ontkiemen.

Ken'goeroe, v. —s; zie Kangoeroe.

Ken'lïjk. ken'nelljk (blijkbaar, zeer duidelijk, dadelijk te begrijpen of te zien), bn. en bw.: in —en staat (van dronkenschap); een — onderscheid; staat van — onvermogen; hij heeft het — met opzet gedaan.

Ken'merk (kenteeken), o. —merken.

Ken'merken (1 van een merkteeken voorzien; 2 karakteriseeren), kenmerkte, heeft gekenmerkt: 1 een boek, een geschrift—; 2 deze uiting kenmerkt den man; onlusten kenmerken die periode der historie; veil. hij kenmerkt zich door opvliegendheid.

Ken'merkend (karakteristiek, onderscheidend), bn.: een —e eigenschap, typisch.

Kennel (Ener. hondenverblijf, -hok; een troep of stel jachthonden), m. i—s.

Ken'nelljk, bn. zie K e n 1 ij k.

Ken'nemerland (aardr. landstreek in het W. van N.-H., van Haarlem tot voorbij Alkmaar langs de Noordzee), o.; in Vondels Gijsbr.: Kermerland(er), vers 23, le bedrijf.

Ken'nen (1 weten, verstaan, bevatten; 2 onderscheiden; 3 iems rechten erkennen), kende, heeft gekend: 1 zijn les —; zijn vak —; wie kent de grootheid van Ood?; 2 zegsw. men kent den vogel aan zijn veeren; 3 iem. in iets —; ik ben er niet in gekend, het is buiten mij om beslist,

Ken'nep, m. gmv.; zie Kemp.

Ken'ner (iem., die iets kent, verstand heeft van), m. —s: een — der Oostersche talen,

" een — van muziek; zijt gij —? b.v. van

' schilderkunst.

Ken'nersblik (de blik van een kenner), m. —blikken: een schilderij met een — beschouwen.

Ken'nls (1 bekendheid; 2 bekende; 3 bewustzijn ; 4 weten; 5 begrip, verstand; 6 wetenschap, kunde, geleerdheid), in bet. 1, 3, 4, 5, 6 v. gmv., in bet; 2 m, en v. -sen: 1 met iem. — aanknoopen, de oude — hernieuwen*,■■>■» hier is een oude — van je; hij heeft hier wel veel kennissen maar geen vrienden; dit is een—je van ons nichtje, een soort van vriendinnetje; 3 buiten — liggen of zijn, weer bij — komen; 4 dat is buiten mijn — gebeurd, verg. Voorkennis; dat is te mijner kennis gekomen; 5 met — van zaken spreken; 6 een man van veel —, een veelzijdige —; iem. van algemeene, van grondige —; de — is voor zweet te koop (Staring); zegsw. — is macht, is een groote kracht.

Ken'nls ge ving (mededeeling, bericht), v. —en: er is een — vanwege den Burgemeester aangeplakt, bekendmaking; in de raadsvergadering werd de brief voor — aangenomen, hij werd als gelezen terzijde gelegd.

Ken'nismaking (eig. het leeren kennen, begin van den omgang met iem.), v. gmv.; —neming (onderzoek, inzage), v. gmv.

Ken'schets (zaakrijke omschrijving, waardoor men iem. of iets leert kennen) v.—en.

Sluiten