Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KLEVEN.

501

KLINGELBUIL.

Kle ven (1 blijven plakken of vastzitten: 9 «oen kleven, doem hechten), kleefde, heeft gekleefd:»l pek kleeft aan de vingers; de tong kleeft mij aan het verhemelte, lk versmacht van dorst ; er — fouten aan deze nieuwe regeling; 2 een postzegel op een brief —; Van der Hoogen zijn lorgnet in het oog —de (C. O.).

Kle'vttTigSfplakkerig), bn.; —er, —st: —e handen; pik is een —e stof.

Kle'via (kleverig), bn.; —er, —st: een — sap,

Kie'wang (O.-I,. steek- en houwwapen),

en — (Muit.); zie: G o 1 o k.- Rent-

f ïSS. (taaie 0°m; taaie kleverige stof), o. Kliek (1 aaneengesloten bende, die elkaar helpt beoordeelen; 2 restje van middageten), v- —en: 1 de gansche —; de hof—; moordenaars en hun —, samenraapsel van geboefte; 2 Zie Klieken maal, Kliekjesdag.

1 KIle'kenmaal finaal van vroener nr,*r.

geschoten spijzen of van resten van middagf eten), o. —malen.

f KUek/jesdag, m. —en: op Donderdag hield moeder —, de kliekjes werden opgediend en gegeten.

r SiJ*Lmer,a (morsig, modderig), bn., gew Klier (ontl. orgaan, dat vochten of sappen uu het bloed afscheidt), v. —en; •—achtig (geplaagd met opzetting v. klieren), bn., zie S c r o f u 1 e u s ; —gezwel (geneesk. opzetting van een klier), o. —gezwellen' —ontsteking (ziekelijke aandoening van een klier), v. —en; —tering (tering, die de klieren aantast), v. gmv. Klic'ven(met kracht vaneenscheiden), kliefde, heeft gekliefd: het schip klieft de golven, de pijl klieft de lucht; — wordt gebruikt als de teweeggebrachte scheiding, onmiddellijk weer tenietgaat; verg K1 o o v e n.

Klif (steilte nnn - uu.

mt zij(Eliza) het overhangend ■— bestijgt (Ter Haar); aardr. het Roode — bij Stavoreb, steile, aan den zeekant afloopende hoogte.

Klijf (klimop), o. gmv.

Klik (voorslag eener klok; onderstuk v. e. geweerkolf ; achterste stuk v. h. roer), m. ken.

Klik'ken (aanbrengen, verklikken; een klik

™.«... üjijtue, neeit geklikt

—ker (klikspaan, verklikker), m. —s Klik klakken (weerklinken van voorwer pen, inz. van metaal), klikklakte, heeft ee

Klikklakt: de hoeven der paarden — op den harden weg, de lepels begonnen te — het ~ der geldstukken; zie Geklikklak. Klik spaan 1 (klapspaan in een molen, een hout, dat nl. al klappend doet hooren, dat het koren tusschen de steenen vermalen is), v. —spanen; vandaar: 2 (scheldn. voor knaap ofmeisje,die iets verklapt oj die klikt) m. en v. —spanen.

I. Klim (het klimmen), m. gmv.: een heele —, om op dien berg te komen/; etymologisch verwant met Klim II.

II. Klim (klimop), o. gmv.; zie Klijf ma£''. (Fr- gemiddelde luchts- en weersgesteldheid van een gewest), o. —maten, bij uitbr.: het — van Nederland, is nl. gema¬

tigd, veranderlijk, regenachtig, dooh gezond.

Klimaat'schieten (O.-I. niets-doen, op een luierstoel liggen en zwijgend genieten), o.: Mijnheer de Resident zat te — (v R )

Klimatologie' (leer der luchtsgesteldheid'; klimaatleer), v. gmv.; —tolo'gisch (op het klimaat betrekking hebbend), bait.—e verschillen, —e verandering, — invloeden.

Klim boon (plantk. langs een boonenstaak zich rankende snijboon), v. —boonen.

Klim'ijzcr (klaulerijzer, dat men aan den schoen vastmaakt; ook: ijzer, dat ergens in vastgemaakt is en den klimmer gelegenheid geeft naar boven te klimmen), o. —s-

ue nouiaen zijn —s aangebracht ten behoeve van het reddingwezen. Klim'men l (opklauteren, opstijgen), klom, heeft en is geklommen: in een boom — in den mast —; fig. mef de stem —, telkens hooger zingen; de zon klimt tot 12 uur aan den hemel, stijgt, rijst; mijn faren —, Ik word oud; een kinderlijk gebed klimt ten hemel, stijgt op; 2 zn., o. gmv.: bij het — der foren, als het getal levensjaren

Klimmend, bw. en bn.: bij de Franken moest rechtgesproken worden bij —er een, d.i. bij rijzende zon, nl. vóór des middags 12 uur; —e planten, d.i. klimplanten; een —e leeuw, wapenk. een leeuw, op de achterpooten zich opheffend ;z.Llebaard

KJliri'mer 1 (mensch of dier, die (dat) klimt of kan klimmen), m. —s: 1 een matroos moet een — zijn} de aap is een goed —; i (plantk. klimop), v. gmv.: festoen van —• langs den muur (Staring).

Klimop' 1 (plantk. in ons land veel voorkomende klimmende plant; zij hecht zich door wortelvezels aan boomen en muren, houdt drie jaar hetzeljde blad), m. gmv. j de is

™. UO[ ur0uW> ook net sym¬

bool der onsterfelijkheid (grafplant); 2 (het loof van den klimop), o. gmv. klimop slof (myth. de met klimopranken omslingerde staf van Bacchus env.d. bacchanten), m. —staven; zie Thyrsus.

Klim'plant (klimmende plant, bv. —roze». —boonen), v. —en.

Klim'roos (plantk. eig. klimmende roos), v. —rozen: de — maakt lange scheuten, die tegen muren opwaarts groeien.

Klim'slok (gymnastiekwerktuig),m. —stokken : de — dient tot hang- en klimoefeningen

*"™ touw (gymnastiekwerktuig), met hetzelfde doel als de klimstok), o. —en.

Kiim'visch (dierk; tropische vischsoort), m —visschen; ook Klautervisoh.

Klim'vogels (dierk. orde van vogels met twee teenen vóór en twee achter), m. mv.: de papegaai, de kaketoe en de specht zijn —.

i. Kling (femmer, blank oj staal van een sabel), v. klingen: zegsw. de bezetting over de '--jagen, d.i. met de kling oj het lemmer dooden, geen kwartier geven, afmaken.

IJ» Kling (kale duinheuvel), v. —en: deze fat»**''' daar om8in»eld van barre —e»

Klingalees' (iem. van de Z.-punt van VoorIndië), m. —leezen; ook Kling Klin nel thei h*n^**\ ï.u i- _"-

Klin'gelbuil (kerkzakje, 'met een klingel af belletje er onderaan), m. —builen.

Sluiten