is toegevoegd aan je favorieten.

Wetboek van strafvordering

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

282

Behandeling der zaak ter terechtzitting

Inverzekering stelling tijder de terechtzitting.

Vragen met betrekking tot de geest' vermogens van den verdachte.

„Artikel 300 is bestemd om als speciale bepaling naast het algemeene voorschrift van artikel 124 te gelden. Daar de verwijdering uit de gehoorzaal en de inverzekeringstelling, ingeval zij ter terechtzitting worden gelast, inbreuk maken op verdachte's recht om de behandeling zijner zaak in persoon bij te wonen, schijnt het aangewezen hier die bevelen van de rechtbank en niet van den president te doen uitgaan. De uitdrukking „in verzekering" wijst er op, dat hier niet aan voorloopige hechtenis moet worden gedacht, daar in dat geval de uitdrukking „in bewaring" zou zijn gebezigd (art. 63).

Uit het voorschrift dat de behandeling der zaak wordt voortgezet, evenals ware de verdachte tegenwoordig, in verband met het bepaalde in de artikelen 285, 297, 298 en 327 blijkt, dat de raadsman na de verwijdering van den verdachte met diens verdediging belast ibJijfl". (M. v. T., bladz. 150).

Zie de aanteekeningen op de aangehaalde artikelen en meer in het bijzonder artikel 124.

Vergelijk ook artikel 274 met aanteekening.

Artikel 301.

De voorzitter kan, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van den officier van justitie of op het verzoek van den verdachte, bepalen dat vragen met betrekking tot de geestvermogens van den verdachte buiten diens tegenwoordigheid zullen worden gesteld en behandeld, dat de officier van justitie of de raadsman buiten tegenwoordigheid van den verdachte betreffende diens geestvermogens het woord zal voeren of dat de verdachte buiten tegenwoordigheid van een of meer mede-verdachten zal worden gehoord.

Hot laatste lid van artikel 290 is van toepassing.

In dit; artikel is den voorzitter, ambtshalve of op vordering van den officier van justitie of op het verzoek van den verdachte de bevoegdheid gegeven te bepalen, dat:

1°. buiten tegenwoordigheid van den verdachte vragen met betrekking tot diens geestvermogens worden gesteld en behandeld;

2°. dat de officier van justitie of de raadsman buiten de tegenwoordigheid van den verdachte het woord zal voeren betreffende diens geestvermogens;

3°. dat de verdachte buiten tegenwoordigheid van een of meer medeverdachten zal worden gehoord.

Alles geschiedt onder de verplichting neergelegd in artikel 290, laatste lid (zie aldaar).