Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8

DE FAMILIE VAN DEN BINCKHORST.

kamer. De eigenlijke huisdeur was onder den toren.

Op een prachtigen zomerdag zat mevrouw van Hoogerdam in den namiddag onder den beukenboom. Zij was bezig met erwtjes te doppen. Over haar japon droeg zij een wit schort en tusschen de knieën hield zij een steenen kom voor de erwtjes. Naast haar, op den grond, stond een blank geschuurde, koperen emmer, waarin zij de schillen wierp. Haar handen waren groot en grof geaderd, met zwarte randen om de nagels. Slechts Zondags werden die zoo goed mogelijk schoon gemaakt, door de week, als ze vruchten en bloemen plukte en groenten schoonmaakte, gaf het toch niet. Mevrouw Theodora van Hoogerdam was een dame van om en bij de zestig, klein, niet gezet, maar toch van grooten omvang. Haar eene heup was aanmerkelijk hooger dan de andere en ook haar ruggegraat vertoonde een zekere afwijking van den normalen stand, maar zij zou hoogst verontwaardigd zijn geweest, wanneer men er op gezinspeeld had dat zij mismaakt was. Haar geelgrijs haar droeg zij in het midden glad gescheiden en achter de ooren met schildpadden kammetjes vastgestoken. Zij had een mager gezicht en een geelachtig vel. Om haar kin en op de bovenlip prijkten stugge, grijs-blonde haartjes. De lichtblauwe oogjes, onder vrij zware, borstelige wenkbrauwen, blikten scherp rond, maar konden ook wel vriendelijk kijken, de dunne, als zij stil zat, stijf gesloten lippen van den grooten mond,

Sluiten