is toegevoegd aan uw favorieten.

Ver van 't gewoel

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Weelderig ontbloeit? Ja, vloed des doods

Werd tot bron van jeugd!

Met glimlach van geloof

Zinkt de ziel in 't heet-verlangde sterven,

In den donk'ren vloed... .

Hoe zoet — hoe zoet!

BLOEDBROEDERSCHAP.

Naar Bruno Witte.

Hier bij de groep van eiken was 't.

Der grijze boomen knoestige reuzenleden

Omsproot het bronzig-gele lenteloof —

Als kinderlokken teer.

De zwarte lijster wipte door de takken,

Zijn liefje fluitend voor den bouw van 't nest.

Als heerlijk wonder sprong uit violetten

Sleedoorn de amandelgeur'ge bloesemsneeuw.

En week als meisjeskoozen vlijde zich

De grasrand met ranonkelgoud omboord,

Om turfgrond, dorre biezen en moeras.

Daar waar onlangs doodshuivering nog huisde,

Weerklonk der kikkers breede lentejubel.

En zie, gespreid van vlerk, kwam gretig nader

De eerste langbeen.

Ten horizon verhief zich een gebergte

Van onweersdamp, in violetten schoot

Een droppenzee bereidend.

En als een juichen barstte de avondzon

Te voorschijn, purp'ren het gewolk bevocht'gend —

Nog eenmaal schouwde zij met blik van vuur

Lang naar haar lente. . ..

Daar was 't, beroerde mij de heil'ge dood:

De ziel verbloedde me uit deze aderen —

En vloog al huiverend

Door eiken, wolken, weide, zomp en zon.

Uit deez' mijn aad'ren bloedde mij de ziel,

Bloedbroederschap begeerend met het Al....

En alles was nu mijn — en ik was zijn,

Heim'lijk gekoesterd — zoete harteschat!

117