is toegevoegd aan uw favorieten.

Grondbeginselen der algemeene ziektekunde voor studenten en artsen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INTOXICATIE, VIRULENTIE, INFECTIEUZITEIT.

103

tische toestanden blijkt; dit geen gelijken tred houden van ontsteking en koorts is evenwel ook mogelijk bij de werking van een enkelvoudig gif, daar immers de vatbaarheid van weefsels voor ontsteking een geheel anderen graad kan hebben dan die van het organisme voor koorts. Verschijnselen, die op zekeren afstand van de microben optreden, ook koorts, schrijven wij niet aan infectie doch aan vergiftiging, aan intoxicatie toe, d. i. aan de werking van een opgelost gif, b.v. de ontaarding der nieren bij diftherie, waarbij alleen in de keel diftheriebacillen groeien en worden gevonden; ook tetanus, botulisme en de toxinaemie (53) zijn voorbeelden; de tetanusbacil groeit niet of bijna niet in menschelijk weefsel, doch geeft er een zeer sterk gif af. Bij vele infecties bestaat tevens intoxicatie, die waarscmjnlijk ook de koorts doet optreden; deze wordt evenwel door sommigen aan vervalsproducten van eiwitlichamen, misschien van menschelijke, toegeschreven. Bovendien moeten wij bedenken, dat infectieuze veranderingen der weefsels juist door endotoxinen kunnen optreden, die vrijkomen door het uiteenvallen van doode bacteriën, die onder groeiende bacteriën plegen te worden aangetroffen. De scheikunde stelt ons nog niet in staat te beslissen, welk gif het eene, welk een ander verschijnsel doet optreden.

Infectie maakt ziek, wanneer zij een voor het leven onmisbare verrichting in zekere mate stoort (blz. 10), anders niet. Infectie en infectieziekte beteekenen dus niet hetzelfde.

Virulentie noemen wij het vermogen van een bepaald microbion, een bepaald organisme te beschadigen, met of zonder groei in het levende weefsel. Bedoelen wij bepaaldelijk: met groei, dan zeggen wij infectieuziteit. Het zijn beide betrekkelijke begrippen, evenals de gevoeligheid van het dierlijke organisme, daar zij, evenals b.v. affiniteit tusschen twee stoffen, een betrekking tusschen een bepaald microbion en een bepaald organisme aanwijzen en zonder dat geen zin hebben. Want zelfs zeer verwante organismen kunnen een zeer verschillende gevoeligheid hebben voor een bepaald microbion. Zoo is b.v. een bepaald Algerijnsch schaap niet gevoelig voor een hoeveelheid miltvuurbacillen,