is toegevoegd aan uw favorieten.

Handleiding ten dienste van besturen en onderwijzers aan bijzondere lagere scholen, bijzondere kweekscholen en bijzondere normaallessen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wet Lager Ondertoijs.

105

Scholen voor m.u.l.o.

De bepalingen van het 2e en het 3e lid consolideeren de aanspraak op rijksvergoeding als m. u. 1. o.-school bij eventueele tijdelijke achteruitgang der school. Zij zijn dus alleen van toepassing op m. u. 1. o.-scholen die reeds als zoodanig werden gesubsidieerd. Onder het aantal leerlingen, waarvan in het 2e lid sprake is, wordt bedoeld het leerlingental volgens de telling op 15 Januari.

Het verzoekschrift om de in het 3e lid bedoelde ontheffing is vrij van zegel en moet worden gericht tot H. M. de Koningin. Het wordt — overeenkomstig het bepaalde bij het laatste lid van art. 59septies — ingediend door het bestuur der school.

Er is geen tijd bepaald voor het inzenden van het verzoek om deze ontheffing. Het ligt echter voor de hand, dat het adres (N. S. no. 1749) zal zijn in te dienen zoodra aan de negende klas bij gemis aan leerlingen geen onderwijs meer wordt gegeven. De ontheffing wordt voor niet langer dan een jaar verleend. Vermoedelijk wordt hier het schooljaar bedoeld, maar mogelijk is ook dat gerekend wordt op een tijdvak van 12 achtereenvolgende maanden, te beginnen met den dag dat de 9e klas zonder leerlingen was. Het verdient aanbeveling in het verzoekschrift duidelijk te vermelden voor welk tijdvak de hier bedoelde ontheffing wordt gevraagd. Na afloop van het jaar kan de ontheffing zoo noodig opnieuw worden aangevraagd. Zij kan niet langer dan drie achtereenvolgende malen telkens voor een jaar worden toegestaan.

Deze ontheffing doet niets te kort aan den eisch betreffende het minimum-aantal leerlingen voor de hoogste drie leerjaren gesteld. Indien ten gevolge van het onbezet zijn van de klasse van het 9e leerjaar dat aantal leerlingen beneden de 12 daalt, is het recht op de hoogere bijdrage als m. u. 1. o.-school, ook al zou ontheffing zijn verleend, niettemin verloren. Ontheffing van den eisch aangaande dit leerlingental kan niet worden verleend.

Voor de toepassing der bepalingen aangaande de hoogere bijdrage voor m. u. 1. o.-scholen blijven volgens het 4e lid van art. 48fer leerjaren boven dat „hetwelk geacht kan worden" het negende leerjaar eener lagere school te zijn, buiten aanmerking. Deze bepaling, welke reeds in de wet van 1910 werd opgenomen, wordt in de practijk toegepast in dezen zin dat, wanneer de school bestaat uit een onderbouw van zeven leerjaren, en dus de 8e, 9e en 10e klassen de eigenlijke m. u. 1. o.-klassen uitmaken, deze klassen worden geacht te zijn de 7e, 8e en 9e klas van een m. u. 1. o.-school met negen achtereenvolgende leerjaren. In dit geval gelden dus de eischen aangaande uren, vakken en leerlingen voor de 8e, 9e en 10e klas. (Kon. besluit 9 Augustus 1912, no. 50.)