is toegevoegd aan uw favorieten.

Indische spoorweg-politiek

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

84

protesteer ten ernstigste en ten uitdrukkelijkste tegen de verdachtmaking, die de heer van Kol zoo straks aan mijn adres heeft gericht. Deze zaak is door mij behandeld in het belang van het land en geheel en al niet met het oog op het kapitalisme. Daarmede heb ik niets te maken en een vorige heer heb ik reeds aangetoond, dat ik in de naasting van de Babat—Djombang-Sfoomtrammaatschappij een zeer overwegend en eminent landsbelang zag."

De heer van Kol sprak in tweeden te/mijn (Handelingen I bl. 19): ,;Wat de quaestie van de Djombangtram betreft, wa's de Minister door mijn woorden een beetje geraakt. Volkomen verklaarbaar, maar iedereen zal toegeven, dat het nooit mijn streven was het persoonlijk element te berde te brengen, integendeel, dat ik dit zoo streng mogelijk vermijd. Doch wanneer wij te doen hebben met beweringen, waarvan had kunnen afhangen of het wetsontwerp, kostende ƒ 2 000 000, werd aangenomen dan wel verworpen, moet men dergelijke persoonlijke, minder aangename zaken wel even aanroeren.

De Minister schudt van neen, alsof hij niets onaangenaams tegen de directie heeft gezegd, maar in haar nota van 7 Augustus j.1., welke ons allen is toegezonden, lezen wij het volgende:

„De eer en de goede naam onzer maatschappij en die harer bestuurders en beheerders gebiedt ons met alle kracht tegen deze verdachtmakingen onzer goede trouw op te komen.

„Nimmer is er zelfs ook maar sprake van geweest om de Kedirische „fabrikanten te bewegen hunne suikers, met overlading te Djombang, „over onze lijn af te voeren, laat staan dat zulks ooit zou zijn geschied, „zooals uitdrukkelijk door Uwe Excellentie werd verklaard, en wij tarten „een ieder het tegendeel te bewijzen."

En verder:

„om, ten nadeele van den dienst der Staatsspoorwegen, op sluwe wijze „„door de mazen van de wet heen te sluipen'"', zooals het lid der Eerste „Kamer, de heer van Kol, na de ontstellende mededeeling van Uwe „Excellentie, zich uitdrukte, tegen welke handeling te recht een woord „van ernstig protest op zijn plaats zou zijn geweest."

Dit is het oordeel van de directie over de woorden, die hier aan de» Ministerstafel zijn geuit.

Overigens is het een feit, dat in werkelijkheid zulke overlading van kranjans suiker nooit is geschied. Het ligt ook in den aard der zaak, dat overlading uiterst moeilijk is en verre van raadzaam. Het groote tijdverlies geeft aanzienlijke kosten: de kranjangs worden er door bescha-