is toegevoegd aan uw favorieten.

Taak en arbeid der Nederlandsche Christen-studenten vereeniging

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

109

en werken, meer dan nu, als vanzelf tot de kerk werden geleid en, naar ik vermoed, ook meer door het geheel van den eeredienst werden aangetrokken, kost het thans menigen vader en moeder heel wat moeite, om de kinderen des Zondagmorgens, als het oogenblik is aangebroken, naar een kerk in de stad hunner inwoning te krijgen. Vele ouders achten zich niet meer instaat— en in sommige opzichten is dit volkomen begrijpelijk en zelfs gelukkig — om uit kracht van hun ouderlijke gezag den jongens den gang naar de kerk voor te schrijven, maar moeten met behulp van allerlei middelen, een enkele maal zelfs met zekere list, de kinderen het kerkbezoek aanlokkelijk trachten te maken.

Het is, naar mijn meening, beslist onjuist, dat de recalcitrante houding der jongeren die hier tot uiting komt, alleen aan den leeftijd, aan kieskeurigheid, of vooral ook aan eigenwilligheid en weerbarstigheid, zou moeten worden toegeschreven. Ongetwijfeld speelt bij menigeen in den opgroei der jaren de begeerte om zich zelfstandig te bewegen en zich niets niemendal te laten voorschrijven, niet zelden een rol van beteekenis. Een jongen is graag een man, gedraagt zich gaarne als een man, rookt gaarne cigaretten, drinkt graag een glas bier, wenscht geen commando's, stelt prijs op adviezen. Dat hij daarbij dikwijls buitengewoon onhebbelijk kan zijn, is aan ieder die met jongens omgaat, genoegzaam bekend. Toch is de tegenzin om aan den wensch der ouders om naar de kerk te gaan gehoor te geven met dit alles nog geenszirts verklaard. Evenmin heeft men, voor zoover ik kan zien, het recht, om de geringe geneigdheid van de jeugd om naar de kerk te gaan, zonder meer toe te schrijven aan gemis aan godsdienstige belangstelling of een tekort aan eerbied voor waarachtig leven met God. Wanneer de ervaring in de zomerkampen iets heeft geleerd, dan is het dit, dat vooral jongens in de puberteits-* jaren, ook al spreken zij er soms weinig over, uitermate ontvankelijk zijn voor religieuze indrukken en soms zelfs met een soort van bijna ongezonde eenzijdigheid opgaan in die geestelijke wereldr welke hen in een godsdienstige samen-