is toegevoegd aan je favorieten.

Flora en fauna der Zuiderzee

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CLADOCEREN EN COPEPODEN

297

FAM. HARPACTICIDAE

Het lichaam is cylindervormig, soms afgeplat of zijdelings samengedrukt; de kop ie meestal met het eerste segment versmolten en is gewoonlijk van een groot, soms beweeglijk rostrum voorzien. De afscheiding tusschen het abdomen en de cephalothorax is slechts zelden duidelijk. Het achterlijf is bij het 2 5-ledig, bij het o" 6-ledig. De eerste antennen zijn kort en hebben weinig segmenten. Het eerste pootpaar is dikwijls anders dan ae volgende en is dan tot grijporgaan geworden; de volgende 3 paar zijn steeds zwempooten. Het 5<fe pootje is bladvormig. .

Van de Harpacticiden komen verscheidene soorten in de Zuiderzee voor, sommige evenwel in zeer gering aantal. Slechts een enkele soort hiervan, n.1. Euterpina acutifrons.leelt hier pelagisch; de andere, waaronder Tachidius brevicornis, die elders veelal pelagisch wordt aangetrotten, houden zich meer aan den bodem op. De soorten waarvan ik slechts 1 of 2 exemplaren vond en die geen uitgesproken zoetwatersoorten zijn, heb ik toch wat uitvoeriger behandeld, omdat over de verspreiding van de Harpacticiden in Nederland vooral in het brakke water nog weinig bekend is en ik dit een goede gelegenheid vond om die leemte eenigszins aan te vullen. Bovendien is het niet gemakkelijk die kleine nabij den bodem levende dieren te bemachtigen en is het best mogelijk dat een soort, die slechts eenmaal werd gevonden, veel meer in de Zuiderzee voorkomt.

16. Ameira tau (Giesbr.)

Mtocra fau W. Giesbrecht in: Ber. Komm. Unt. Meere Kiel IV, 1884, p. 117, pl. 1. flg. 9, 13; pl. 3. flg. 13; pl. 4. flg. 2. 11, 29; pl. 5; flg. 7 ; pl. 6 1fig. !5; pl. 7 fig. 19; pl. 8, flg. 4; pl. 9 fig. 14; pl. 10. fig. 23; pl. 11. fig. 14. 15b, 35, 36; pl. 12, flg. 19. 20; Ameira tau G. O. Sars, Crust. Norw. V. 1911. p. 218, pl. 143.

Het lichaam is slank, het rostrum zeer klein. Het anaaloperculum is volkomen glad. De furcatakken zijn kort en vierkant. De eerste antennen zijn kort, 8-ledig en hebben breede basaaUeden. De buitentak van de tweede antenne is eénledig. Het eerste pootpaar is tot grijppoot geworden; de buitentak is ongeveer de helft van de lengte van de binnentak, de beide eindleden van de binnentak zijn evenlang als het eerste hd. n**3* pootje is tweeledig: het tweede lid heeft 4 randborstels. Lengte volgens Sars 5 mm. Zh is gevonden in de Kieler Bocht, aan de zuid- en westkust van Noorwegen o. a. in het Throndjem fjord, in de Noordelijke IJszee en in de lagune van Venetië. Ameria tau is een httorale soort, die ook in brak water leeft. Door mij werd zij in de Zuiderzee op een 3-tel plaatsen gevonden, n.1. op 8 September 1920 bij de ton van de Gammels (S. 17.7) 2 wijfjes, waarvan een met eieren, en op het Vrouwezand (S. 13.7) een wijfje, op 11 September midden in de*Meer (S. 21.5) ook een wijfje. Al deze exemplaren werden met bodenimateriaal opgehaald. Zij schijnt dus uitsluitend voor te komen in het noordelijk gedeelte, is vermoedelijk een gast uit de Noordzee en zal waarschijnlijk in de Waddenzee en aan de Noordzeekust wel te vinden zijn. ....

17 Canthocamptus trispinosus Brady. Van deze zoetwatersoort werd een vrouwelijk exemplaar gevonden op 10 Februari 1920 voor den Eemmond in zoet water.

18. Ectinosoma curticorne Boeck

A. Boeck in: Forh. Vid. Selsk. 1873. p. 45. - Afb. Sars. Crust. Norw. V, pl. 20, fig. 1.

Het lichaam is slank en spilvormig; het eerste cephalothoraxsegment wordt naar voren toe smaller en loopt hier uit in een tongvormig hyalien rostrum. De eerste antennen zijn kort, 6-ledig en vertoonen een donkere ronde vlek op het tweede lid. Het eerste paar kaakpooten bestaat uit 2 dikke basale leden en een rudimentair terminaal gedeelte. De