is toegevoegd aan uw favorieten.

Verslag van het congres ter bespreking van de prae-adviezen betreffende de voedselvoorziening van Nederlandsch-Indië (publicaties 6 en 7)

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

117

„Verdieping van de kennis der volksopvattingen is noodzakelijk voor allen, die belast zijn met de doorvoering van overbekende landbouwmethoden bij de inheemsche bevolking".

Zeer juist, mijnheer Lulofs! Men moet de menschen kénnen, om den weg voor vooruitgang te kunnen aangeven. Ik heb alle respect voor de samenstellers van het prae-advies, een praeadvies dat getuigt van een diepgaande studie, maar er zyn bureaumannen aan het woord, die wel een grondige studie van de volks-economie hebben gemaakt maar alleen achter de schrijftafels, en die het cijfermateriaal hebben betrokken van den bestuursambtenaar.

De heer Lulofs schy'nt ons niet te kennen, getuige zyn vele uitlatingen in officieele kringen en op openbare vergaderingen, want hem schijnt te zyn ontgaan, dat er opleving komt onder de bevolking, dat ze niet langer geleid wil worden, zooals een vader zyn kind leidt, maar dat ze mee wil praten.

Het volk gevoelt zich hier in eigen huis, en vertrouwt in de Hollanders menschen te zien die zeggen: „Je zult je huis terughebben, zoodra je ons kunt missen".

Dat schy'nt de heer Lulofs over het hoofd te zien. Met groot genoegen heb ik èn van den voorzitter èn van de prae-adviseurs gehoord, dat Indië in eigen behoeften moet kunnen voorzien. Daarvoor zyn echter twee factoren noodig.

Grond moeten wy' hebben en water moeten wy' krijgen, wil Indië zich zelf kunnen voorzien. Uitdrukkingen van indolentie, fatalisme en dergelijke meer worden gebruikt by het verwijt van den heer Lulofs, dat de Inlander den grond maar onbebouwd laat. Dat is niet alleen niet waar voor Java, maar ook niet voor Sumatra. De heer Lulofs weet echter op bladzijde 35 van het praeadvies over Djampang te vertellen: „Een enkel voorbeeld moge dit toelichten. Toen in de zenuwachtige eerste oorlogsdagen van 1914 allerwege de prentah werd gegeven tot verbouw van padi en tweede gewassen, werd dit gebod door de Djampangsche bevolking willig opgevolgd".

Het was geen printah. Het was alleen een bekendmaking, dat de bevolking veel meer padi hoema moest planten. Er was grond, veel grond beschikbaar. Maar nauwelijks waren de menschen bezig, nauwelijks waren duizenden bouws opengelegd of daar kwam een aankondiging van bestuurszijde, dat de gron-