is toegevoegd aan uw favorieten.

Bart Jorgen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De golven stuwden op, hooger, hooger en vloeiden uit voor ze hem bereikten. Een visscher kwam langs het water, de roode voering van zijn schoudermantel trok Bart's oogen.

Achter hem lag de stad, met Nora. Het leek hem of ze niet anders dan Nora bevatte. Het was alles wat zijn leven inhoud gaf en toch, hoe arm, hoe leeg voelde hij zich.

Het kille schemeruur aan zee scheen hem geheel te doortrekken. Verstijfd stond hij op en begon terug te loopen.

Waarom liep hij altijd weer terug? Als hij nu eens overvoer naar Engeland en daar werk zocht?

Schamper haalde hij zijn schouders op. Wat voor werkl En dan — in Engeland kende hij niemand. Hier was Nora toch altijd — Ze was er, morgen zou hij haar zien, misschien mocht hij haar kussen, ze zou hem in haar twinkelende oogen laten kijken.

Hij stond stil. De gedachte aan Nora overweldigde hem. Zijn verlangen, zijn droom en de werkelijkheid vloeiden ineen. Zij scheen hem liefelijker dan ooit, alles wat hij miste, wat hem wondde, dat was maar verbeelding, dat was zijn hang naar droefenis. Waar had hij laatst gelezen, dat jonge menschen behoefte hebben, hun leed te koesteren, het als iets kostbaars

aan te kweeken? Zoo was het met hem ook wel

Het scheen hem toe, dat droefenis hem adelde, aan alles een schoon waas verleende.

Hij zou haar schrijven, hij zou haar alles zeggen, haar zijn volle vertrouwen geven.

Mijmerend strompelde hij door het mulle zand. Schepen dreven naar de schemerige ree. Kwamen ze van ver? Zwerven langs zonnige wegen, vele landen kennen er groot man zijn als de Ruyter

114