is toegevoegd aan uw favorieten.

Nederlandsche liederen en balladen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

108

Want de koets, die ons beidt, Is gespreid,

Waar geen priester ons scheidt;

Waar de pracht Van 't smaragd

Nooit verwelkt! — Snelt ge er in? Eeuwge min

Eischt de Meerkoningin."

De wachter stak den hoorn ter ruste

Op 't hooge Huis aan Flevoos meer; Het zeil, dat opdoemde aan de kuste,

Zonk in den schoot der golven neêr. Maar jonge Winfried bleef verloren,

Al deed des slotvoogds Kapelaan Het watervlak den banvloek hooren

Toen weêr de dag was opgegaan.