is toegevoegd aan uw favorieten.

Duitsch woordenboek

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bellona.

83

bemoeien.

Pellona 'godin van den oorlog) = ajellotta. .leren, k. = ticlouctu, (attent auf (SHf.), Mpn\)m.

.ofte, v. bas SBetfptcdjcn, bic ljufugf; ecu doen, houden = ein ÏSetfpr. geben, Ijalten, e*tullen; een b. nakomen = einem SBerfpredjen '•ddjtommen; allerlei beloften doen = allerljanb ""erfpteajungen madjen; met mooie beloften Paaien = mit leeren iBerfpredjungen tjiuljalten; b- maakt schuld — 33et[pred)en madjt Sdjulb, *as man ocrfpridjt mug man halten; 't Land vMt b. = bas (Selobte (Serbcifjcne) fianb,

v00* fianb ber aierljeiftung. J'oken Pasehen - SBeifscr Sonntag (Somt.

l^a nadj Oftetn).

ïeommerd = befdjattet, fdjattig.

je ommeren, h. - befBjatten.

i! «rnmering, v. = Sjefdjattung. °'°nken, h. = Deaugcht, beliebaugeln, Heb.

u?uaeln mit. !°onen, h. - belofjnen (einen für etto. b.;

JWe Sltbeit b.J.

"fboning, v. = SBelohnuug; een b. uitloven = k!{ne fel. ausjegen; ter b. = sur SBel. , °°P. o. = (van een zaal:) bet aSerlauf; (vorm ,9« ee» schip) ber ÏBelauf; dat is 's werelds ?• = bos ift ber fiauf ber aBelt, fo geljt es in °et aBelt; een zaak op baar b. (blauw, blauw) i»tcn eine Sadje auf fidj beruljen lafren;

zal 't maar op zijn b. laten (zooals iwil) = jjt, roerbe ber Sadje üjreu freien va«f laffen; (van een rekening) ber 93e(auf, b«,et «etrog.

,.!°open, h.; de rekening beloopt ... = be. 'auft fidj auf (91H).. . .; 't verlies beloopt 1000 «kui = bclauft fid) (bcjiffert fid)) auf 1000 jUiaiui; is,'brp werd door een storm b. .-= oon einem jfhtrtite übetfalleu; zijn oogen zijn niet bloed h' *■ luit Shit untcrlaufen; de weg wordt veel e' *» uiitb oiel begaugen; ik kan dat alles niet b:.=" bns tann id)'nidjt alles 311 gug abmadjen, (ilot9en, all biefc ffianqc Innn idj nidjt madjen w5°rgcu).

t'0ven, h. oetfptedjcn; hij heeft beloofd [../hllon komen (op een uitnoodiging) = er ei, Sugefagt; iemand gouden bergen b. = (hn slotbcne SBerge oetfpredjen; b. en doen fii,°vlu011) zijn twee = iBerfpredjen unb Salten f„ ? 3toeicrict; de oogst belooft veel = oer. (£i'?)t biel; dat- belooft wat! = bas tottb roas ba? r 5 roerben! hij Is rijk, dat beloof ik je = jc,7 loae id) bir; „is hij tijk?" „dat beloof ik

helm " bas mtll id) meinen, unb ob I

belrn s' v- = -1iofc> ber Jtotiauf, bos ffirrjfipelae.

heii?°.saehtig tofenottig, totlaufartig.

t. fjSJe, v. = ber Sdjelleitfdjlitten. ^aa'lt = t'et ^m^en' "jdjenqrube; zie ook ij Belt, m = 3!elt. de Groote en de Kleine

beli...,', bet (örofjc 1111b ber Mleine 23.

Hiiaier' "'• «Knflel-, SdjcIIenjug.

Oelojijten, b. —. (ciucm) 311 Koa! e liiutcu.

beluicrmar £aufd)Ct, Sordjer.

L»«i itïm' h- belaufdjen, beijordjeu, Ijordjcn

belu'y'tt.).

b. ' - begierig (nadj, auf); lüftem (nadj); et tu * = begierig, lüfteru madjen; ik ben

tb-on b' op = id> t,abe tcine Suf' ba3U; erg belV(U- etPidjt auf («ft.); zie eerder b e g e e r i g. .bet mre' °. = 33c!oebete, bic (fd)öne) aiusfid)t,

bemaSu-!5!icl't5t,-lr'»-

lia^tlgen, h. = fid) (eines Dinges) beiuiidj. "> beineifteru

bemaehtiging, v. = Scmadjrigiing, 23emeifterung.

I. bemalen, h. = entroöffern (mittels iBofocr. miibleu).

II. bemalen, zie beschilderen, bemaling (bij b e m a 1 e n I), v. = entroafferitng. bemannen, h. = bemannen.

bemanning, v. = SBemannung, ïllanufdjaft, odjiffsmannfdjaft, (van oorlogschip ook) SBe. fatjung; Equipage.

bemantelen, h. = (bewimpelen) bemdittcht, oetfdjleieru; (verbloemen) befdjönigen; (verbergen) oertjeimlidjen; (eine Stobt) befeftigeu, ummauern.

bemanteling, v. = SBemönteluug te., vgl. b c-

mantelen. bemasten, h. = bemaften. bemasting, v. = 53emaftung; (alle masten ook)

bas STJlaftroert. bemeesteren, zie bemachtigen, bemerkbaar = roabrneljmbar, bemerfbar.incrflidj. bemerkbaarheid, v. = ïBaljrnehmborfeit, SBe»

merfbarfeit.

bemerken, h. = bcmerfen, gematjr roerben,

geroaljrcu, etbliden. bemerking, v., zie aan- en opmerkin g. bemesten, h. = bünqen, miften. bemesting, v. = Düngung, bas Düngeu. bemestingsmiddel, o. = Düngemittel. bemiddelaar = SBermittler, bte ITOittels., 3roi-

[djenpetfoit.

bemiddeld = rooljüjabenb, begütert, benüttelt. bemiddelen, h. = oermittelu, ÏJlitielsperfou

fein; een verschil (geschil) b. = eine Differen3

oerm.; een geschil b. = einen Streit beileqen;

een zaak b. - eine Sadje fdjlidjten. bemiddelend optreden = oermittelnb eintreten,

fidj ins 93!ittcl fdjlagen (legen), bemiddeling, v. - ï!etmitt(e)lung, Sutetoention. bemiddelingsvoorstel, o. = bet a3etmitt(e)=

lungsoorfdjiag, aüorfdjlag 3ttr (6üte. bemind: hij is zeer h. = fehr beliebt; zich b.

maken = fid) beliebt madjen. beminde = (Seliebte(t), bet Sdjat). beminnaar van de wetenschap = Steunb,

Vubhabcr ber STBiffeufdjaft; b. van de kunst =

Sluitftfrcunb. beminnelijk = Hebenstnütbtg; („aangenaam")

gefallig.

beminnelijkheid, v. = fiiebensroürbigfeit.

beminnen, h. = Iieben, liebhaben, gent Ijabeit; hij bemint do vroolijkheid = (ook) er ift ein SJreunb oon SeiterEeit.

beminnenswaardig = liebensmürbig.

beminnenswaardigheid, v. = fitebensroürbtgtett.

beminner, zie beminnaar.

bemodderen, h. = befdjmuken, be|ptikeu.

bemoedigen, h. = etmutigen.

bemoedigend = ermutigenb.

bemoediging, v. = Cêrmtttiqunq.

bemoeial = 2Jtenfdj, ber fidj in alles mifdjt; .ïians (Dampf) in allen ISaffeu; bij is een b. = et ftedt bic Sllafe in alles, mifdjt fidj in alles.

bemoeien zich, h. met = fidj (be)füntmeru um, fidj ntifdjen in; bemoei tt met uw eigen zaken en niet met de mijne = (bc)tümmerc bid) um bcine eiqenen Sadjeu unb ntifdje bid) nidjt in meine; met die lui bemoei ik me niet = gebe id) midj nidjt ab; de direkteur moest er zich mee b. = ber Direltot mufste baaroijdjeu treten, fidj einnüfdjen, mufjte eingreifen; ik bemoei er mij niet mee = idj toill nidjts bamit 3U fdjaffen Ijaben; hii bemoeit zich veel met zijn kinderen marïrt fid) oiel mit. . . 311 fdjaffen; waar