Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ontvoogden.

500

ontzien.

ontvoogden, h. = münbig fpredjen, für münbig erflaren, emanjipieren.

ontvouwen, h. = entf alten (ook jig.); (een plan e.d.) auseittanberfegen, enttoicfeln, barfegen.

ontvouwing, v. = (Entfaltung ;c., vgl. ontvouwen.

ontvreemden, h. == enttoenben.

ontvreemding, v. = (Entroenbung.

ontwaken, z. = ecroadjen, aufroadjen; (jig.: „ontstaan, -beginnen") etroadjen; („tot bewustlo'ol komen") aufroadjen (van 't geweten bijv.).

ontwapenen, h. = entroaffnen; ('t leger) abrüften.

ontwapening, v. = (Entroaffnung; Slbrüftung, vgl. ontwapenen.

ontwapeningskonferentie, v. = Slbrüftungsfonferena.

ontwaren, h. = geroal)ren, erbliden, geroaljr merben; (voelen) fpüren.

ontwarren, h. = entroirren; (ook: een ingewikkelde zaak: eine oerroidelte Sadje) ins Hare bringen.

ontwassen, z. = eutroadjfen; zie ook out groeien.

ontwateren, h. = entroöffern.

ontwatering, v. = (Enttoöfferung.

ontwateringsllbuis, v.; -werken, mv. = bas (Entroafferungsllroïjr; bie .anlage (.arbeiten).

ontwei(d)en, h. = ausroeiben, .neljmen.

ontweldigen, h. = entringen, entreifjen.

ontwellen, z. = entguellen.

ontwennen, h. = (einem etto.) abgerorSljnen, (einen oon etro.) entrobbnen.

ontwerp, o. = ber (Entrourf, (technisch ook) Sjrojeft, ber *CIan; (van een geschrift ook) bas iton3ept; (van wet) ber (f»efek)(Entrourf, (in gediend) bie (cóefeges)SJotlage; naar iems. o. uitvoeren = (een vertrek bijv.) = (ook) nad) jems. Slngabe ausfübren.

ontwerpen, h. = entroerfen; planen, ptojeftteren, vgl. ontwerp.

ontwerper = Kntroerfer.

ontwerpteekening, v. = ffintrourfsjeiojnung.

ontwijden, h. = entroeüjen; entbeiligen. profa. nieren.

ontwijder = (Entroeüjer.

ontwijding, v. = (Entroeitjung.

ontwijfelbaar = unaroeifelfjaft, jroeifellos.

ontwijk: plaatsje van o. = ber 3uflud)tsott.

ontwijken, h. en z. = ausroeidjen (Dat.); (mijden) meiben; (ontsnappen) entroeidjen.

ontwijkend = ausroeidjenb.

ontwijking, v. = Stusroeidjung; (Entroeidjung, vgl. ontwijken; o. van de vraag = Umgebung-ber grage.

ontwikkelaar, m. = (Entroidler (ook /of.).

ontwikkeld - entroidelt, ausgebiibct, gebilbet, vgl. ontwikkelen.

ontwikkelen, h. = eutroideht (in alle bet.); (vormen, tot vollen omvang brengen, zoowel geestel. als licham.) (ber)ausbilben; (beschaven) bilben; („mdplooien" fig.) entfalten; algemeen ontwikkeld == allgemein gebilbet, unterridjtet; („uiteenzetten") ausfübren; zich o. = fidj entro fid) (betaus)b., fid) bilb., fidj entf., zie boven; („tot vollen wasdom komen") ftd) ausroadjfen

ontwikkeling, v. = (Entroid(e)Iung, Sltisbilbuitg, Silbung, (Entfaltung, Slusfübmng, vgl. ontwikkelen; („wijze van ontstaan" ook) ber SBerbegang; verdere o. = gortentroidelung, (verdere vorming) gortbilbung.

ontwikkelingsllbad, o.; -gang, m.; -gesehiedenis, v.; -leer, v.; -tijdperk, o.; -toestel, o.; -trap, m. = (Entroid(e)lungs|!bab; -gang (SBerbegang);

-gcfdjidjte; -Iel)re; bie -periobe; ber •op?'

bie -ftufe. .rf. ontwinden, h. = abroinben, abroidebt, en«?^ete ontwoekeren, h.: aan de zee o. = bem » ^

abgeroinnen, abringen, entreifjen; uren<.(tt

den slaap o. = bent Sdjlafe Stunben abW

entreifjen.

ontwolken, h. = entroölfen. .tI(!eti>

ontworstelen, h. = entroinben, ent-, ab»"B abgeroinnen; zich o. = fidj entteifien. w|til

ontllwortelen, h.; -wouden, h. = ent|!«u" ■roalben. j«*

ontwrichten, h. = nerrenlen; (jig.) o"5 gugen teigen, jerrütlen.

ontwrichting, v. = SSerrentung.

ontwringen, h. = ent-, abringen. 0>

ontzadelen, h. = (paard) abfatteht; bem Sattel roerfen, abroerfen. *nrct)t;

ontzag, o. = ber Stefpeft; (eerbied) bie wjT%ti; (vrees) bie gurdjt; in o. houden = in SR- %ati'< o. hebben voor = SR., (E., g. haben oer (■£ t< hij heeft er o. onder = er balt fie in roirb refpeïtiert, vgl.: hij heeft er den onder; zich o. verschaffen = fidj in "(ULjfüS uit o. voor zijn hooge jaren = aus auf fein bobes Stlter. j,jt«i('

ontzaglijk = ungeljeuer; (geducht) fuOT machtig, geroaltig; (grootsch) grojjartig- &tdi'

ontzaglijkheid, v. = bas Ungebeuere K-I artigfeit. 0'

ontzagwekkend = impofant, maieftatuffl' furajt gebietenb (einflöjjenb). um(t,]

ontüzakken, z.; -zegelen, h. = ert"11' -fiegeln.

ontzegeling, v. = (Entftegeiung. ,neB #

ontzeggen, h.: iem. 't recht o. iets te au ^. etnem bas SRedjt abfpredjen, beftreden ^ 3u tuit; (iem. talent, karakter e. d.) aP\v ^tW, mijn stem ontzei mfj den dienst ff ueV1, Sttmme nerfagte mir (ben Dienft); &.Ïm, f mij niets te o. = idj btaudje mir n %a" nerfagen; iem. zijn huis o. = einem |ej oerbieten; een eisch o. (recht.) = etrt*t (t<> abroetfen; zie ook eisch; iem. een ^„ettvonnis) o. = einem ein SHecht aberreJ»tfm

ontzegging, v. = SBeftreitung, bas Ww «Ite1 bas ïBerbteten (bas Sierbot), Slbroctfu™' fagung, vgl. ontzeggen. ..Aiffetfi i

ontzeilen, h. en z. = entfegeln, entjajm n, klip o. = bie Slltppe umfegebt, <n"(ie0!

ontzenuwen, h. = entneroen (ook Hf->' argument) entfraften, roiberlegen. ,

I. ontzet (adj.) = entfegt. „ t,aS; (*

II. ontzet, o. = (van vesting) ber enti"» • een aangevallene) bie SBefreiung. nt 0. .1

ontzetten, h. = eutfehen; uit zijn ^"(eiWS feines Stmtes (oon feinem Stutte) c.» abfetjen, einen faffiecett; uit de onderlij» o. = aus ber eltetlidjen löeroalt c.; (ee' e.; (een aangevallene) befreien, ontzettend = entfehlich. ontzettendheid, v. - (Entfekiidjlett. gutF;», ontzetting, v; = (ontsteltenis) bos[^etpej (uit een ambt) (Entfetjuug, (Mmte)*" Slbfetjung; zie o n t z e t II. ontzettingsleger, o. = bie tEnifaftarm* ■ e|t. ^ ontllzielen, h.; -zield = entllfeelen; ' & m ontzien, h. = (sparen) fdjonen; 'a^j,fen,.U' fd)., fidj in adjt nebmen; (niet *J*&t <■> kwetsen, zacht behandelen) mit Str|w n,eit e(t fidjtsooil) bebanbeln, Stüdfidjt auf (jjelPetro. nebmen; zich doen o. — ' f.jne " fetjen; geen moeite, kosten o. =

Sluiten