is toegevoegd aan uw favorieten.

Fransch woordenboek

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CADI

74

CAILLOUTÉ

cadl, kadi, m. kadi (Mohamm. rechter), cadis, kadi, ra. gemeene sergie. cadmle, kadmi, f. zinkoxyde, kalamijnsteen, galmei. " '

eatiran, kadra, m. 1. «ijzerplaat; - rfe boussole, compasroos; — solaire, zonnewijzer; faire le tour du -, t klokje rond (slapen); 3. sterscbeuren (ook cadrannre, kadranü-r, f.) jeadrat, kadra, m. quadraat (bij letterzetters, om tusschenruimte te vullen), cadratin. kadraté, ra. pasje (klein quadraat). cadrature. kadratü-r, f wiizerwerk. fcadre, ka-dr, ra. 1. last van schilderij, spiegel, enz.; (fia.) omlijsting, omvatting, omgeving; - du tympan, beenrand van t trommelvlies: 3. raam; 8. plan v. 'n werk, ontwerp; 4. kader (de officieren en onderofficieren v. 'n compagnie); — rfe réserve, a corps der generaals in reserve; b. reservekader; 5. (mar.) hangende kooi' jcadrer, ka dré, i. (avec) (goed) passen (bii). uitkomen, sluiten.

cadnc, -uqur, kadük, adj. 1. bouwvallig, vervallen; 3. afgeleefd, gebroken (v. ouderdom) : 3. nietig (v. erfenissen en schenkingen); 4. mal -, vallende ziekte.

caducée, kodüsé, m. slangenstaf (v. Mercurius).

eadneité, kadüsité, f. 1. bouwvalligheid; 3. afgeleefdheid; 3. nietigheid.

caecal(e), sékal, adj. v. d. blinden darm, ca3caal. Hcaecum, séköm, m. id., blinde darm.

Caen, kd. (stad in Noord-Frankrijk).

cafard(e), kafa-r, -ard, adj. et s. 1. bijgeloovig(e), huichelachtig vroom(e), huicaelaar; 3. klikker,'klikspaan; 8. (prop.) kakkerlak; 4. (afr.) tropenkolder. ||-age, kafarda-j, m. t. schijnheilig doen of klikken. |-er, kafardé, i. W schijnheilig doen: 3. klikken. |l-erle, kafarderi, f., -lse, kafardi-z, t schijnvroomheid, huichelarij;

café, kafé, m. 1. koffie; - (a la) crème koifle met ('n scheut) melk (in koffiehuizen);

- au lait, (sterke) koffie met veel melk;

- noir, koffie zonder melk; - rfe glands doux, eikelkoffie; 3. koffiehuis, caié; —concert, café-chantant, caféier, kaféyé, ca. 1. koffleplant; 3. koffieplanter, cafeiere. kaféyè-r, f. koffieplantage, cafétne. kaféin, f. id. (alcaloïde uit de koffie), caféisme, kdféizm, m. koffie vergiftiging, --restaurant, rèstörü, ra id., koffiehuis en restauratie.

caf(e)tan, kafta, ra. kaftan (lange mantel of pelsjas v. d. Oosterlingen), caféterle, kafétri, f. koffieplantage. ||cafetier, kaftyé,ra.koffiehuishoud»r Ijcafetlère, kaftyè-r, f. 1. koffiekan.-pot; 8. koffiehuishoudster. [|caféyer, cafier = caféier i c(C)afre, kafr, adj. et. s. m. f. Kaffer(sch)(e).

HCafrerle, kafreri, f. Kafferland, Zoeloeland. < caftan = cafetan , cagre, ka-j. f. 1 kooi; en - gevangen, opgesloten; 3. hok (met traliën); 3. - d'un ascenseur, liftkoker; - d'un clocher, klokkestoel; - d'un escalier, mantel v. 'n trap; - d'un mouiin a vent, romp van 'n < windmolen; 4. kast (om horloge of klok); < 5. vischkaar; 6. soort fuik; 1. ophijschbak (in n mijn). ||cas;ee, kajé, f. kooivol. ||cag-eot, kajo, ra. 1. kooitje; 3. mand. ||cae-erotte, kajrót, f. teenen kaasvorm (voor t uitlekken), (catrette, kajèt, f. kooitje, kuip. tcagler, -ière, kajyé, Ar, ra. f. koolenmaker, -maakster.

cagnard(e), kana-r, ard. adj. et. s. vadsig (mensch); —, m.X. fornuis (v. waskaarseni, makers): 3. (mor.) presehning voor 'n schuilplaats v. d. wacht. Ijcagnarder, B kanardé, i. luieren, vadsig leven, in huis - hokken. Ilcagnardise, kanardi-z, f. vadsig 1 heid, luiheid, (cagrne, kan, f. slons llca, gneux, -euse, kuüö(-z), adj. ets.(iem.)met t x-beenen, krom(beenig). ||cagnot, kano, m. 3 blauwe haai.

ï cagrnotte, kaüöt, f. pot (bij 'n spel); man ver

la—, potverteren, i cagot(e), kago, -óf, m. (f.) et adj. schijnr hejlig(e), fijn(e), bijgeloovig(e). |j-ement, 1 nul, adv. cajfoterie, kagótri, f., cagotisi me, kagötizm, ra. schijnheiligheid, fijnheid, i oogenverdraaiing,. '

i cag-onle, kagul, f. monniksmantel (met kap ; waarin 2 gaten voor de oogen). , caejme, kag, f. kaag (schip). , cabier, kayé, ra. 1. id., schrijfboek, schrift; - rfe musique, muziekboek; 3. katern (postpapier); 3. beschrijving, instructie; -des charges, concessievoorwaarden (bH aanbesteding;, bestek.

eahln-caha, ka(h)e ka(h)a, adv. met horten en stooten. Jeahot, kao, ra. stoot, schok; moeilijkheid, hinderpaal. [Icabotage, ka(h)öta-j, ra. gehots. ||cabotant(e), katdk.it), hobbelig, hotsend, j eahotemeut, kaötmd, ra. = cahotage. cataoter, kaötê, t. (doen) hobbelen; hotsen; (fig.) slingeren, kwellen, caboteiiv. ense, kadtb(-z), adj. hobbelig, hotsend, cabute, kaxït, f. hut, loods, hok. eaXd,ftaid,m.kaid,o verheidspersoon in Marokko en Barbarije. eaïdat, kaida, ra. -schap, caïeu, kayö, m. klister (bolknop). caillasse, kaya-s. f. spie (geld), caille, ka(.)y, f. kwartel; rol des -s, m. kwartelkoning, spriet. caillé(e), kayé, adj. gestremd, geronnen; -, s. m. 1. gestremde, gehotte melk; 3. soort witte kaas.

calllebote, kayböt, t (mar.) stopstuk. Jlcaillebotis, kayböti, ra. (mar.) rooster v. d. luikopeningen, calllebotte, kayböt, f. wrongel, massa gestremde melk. Ucatllebotte(e), kayböté, adj. geklonterd. ||- botter, böté, t. stremmen, doen klonteren. Icaille-lait, kaylè, m. mei- * bloem, walkruid; pl. -. ||calUement, kaymd, m. stremming, 't hotten, klonteren; t runnen, stollen, realiter, ka yé, t. doen stremmen; se -, stremmen, stollen, hotten, coaguleeren, runnen ; -, m. kwartelfluit. callletag-e, kayta-j, ra. gesnap, geklets, zotteklap.

callletean, ksyto, m. jonge kwartel, eallleter, kayté, i. snappen, . babbelen, kakelen, eailletfe, ka-yèt, f. X. klapekster, babbelkous; 3. stormvogel; 3. lebmaag; 4. kaaswrongel. jeaillot. kayo, m. klont, klonter <v. bloed of melk), caillot-rosat, kayoroza, ra. rozepeer. calllon, kayu, ra. 1. kiezelsteen: -x routes, rolsteenen; 3. vuursteen; — d'Egypte soort jaspis; - du Rh in soort kwarts; 3.. keisteen; 4. (fam.) knikker (hoofd)) pl. -X. ||cailloutas;e, koyuta-j, ra. 1. grotwerk of plaveisel v. kiezelsteentjes; 3. begrinting v. 'n weg. jcaillouté, kayuté, ra. I. = caiiloutage, /; 3. fijn soort aardewerk.