Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PONTAGE

431

PORTE

't tooneel; 4. Mep (v. 'n broek); 5. kromming aan de kaarten gegeven door 'n valschen speler; faucher, couper dans le —, er in loopen; 6. verbooging v. *n pet; (cas-

. quette a) trois —s, hooge petten zooals de souteneurs ze droegen: 7. verlofdag tusschen 2 feestdagen; Royaume de P—, Pontus (oud rijk aan de Zwarte Zee). Ilpontage, pö'ta-j, ra. brugaanleg. Ilpont-eanal, pö-kanal, m. aquaduct.

ponte, pS-i, f. 1. ('t) leggen, legtijd; 2. de gelegde eieren; —, m. 1. speler tegen den bankier; 2. ponto (bij 't omberen). l!ponté(e),7)3-(é.adj. v. 'n dek (of dekken) voorzien, Hpontée, pö-té, f. deklast. Itponter, pö'tèy t. v. *n dek voorzien; —, /. 1. tegen den bankier spelen; inzetten; 2. (ani.) betalen. Hpontrt, pö-tè, ra. 1. knop v. d. geweerbeugel; 2. zadelboog.

Pont-Euxin, pö-tceksë", ra. Pontus Euxtnus (Zwarte Zee).

ponlier, pö'tyé, ra. brugwachter.

pontile, pB'tif,ra. (hooge)priester,pontifex; 7e souveraln —, de paus. Ilpontiflcaj(e), pB-tifikol, adj. priesterlijk, pauselijk; États

— aux, Kerkelijke Staat; —, s. m. ceremonieboek (v. d. bisschoppen). IJpontificalement, pö'tifikalmd, adv. Ilpontificat, pB'titika, ra. 1. hoogepriesterschap; 2. pauselijke waardigheid; 3. pauselijke regeering. Ilpontiiicr, pö'iifyi, 1. 1. als hoogeprlester optreden; 2. gewichtig doen, orakelen.

pont iris (Marais —), n>arèpB-të,m. pl. Pontijnsche moerassen (Italië).

pont-levis, pö-lvi.ra ophaal-, wlpbrug. ||— neuf, na5/,'m. (oud) volksdeuntje (vroeger op de Pont-Neuf gezongen); pl.ponts-neufs.

, üponton, pö'lö, ra. 1. schipbrug, pontonbrug; 2. kiellichter; 3. gevangenisschip; 4. landingsplaats van booten. jlpontoaallèrjc, pö-tBalè-f, ra. lichter. ||—onmature, pB-tB'ma-tü-r, m. drijvende mastbok. Ilpontonnage, pB'tóna-j, ra. pontof bruggeld, [[pontonnier, pB'tönyé, ra.

1. (bruglwaehtêr (v. 'n landingsplaats);

2. pontonnier(s) (corps dat pontonbruggen moet leggen). Ilpont-promenade, pB-prómna(-)'i, ra. promenadedek.

pontuseau, pö tü.zo, ra. 1. streep in 't papier; 2. richel die zoo*n streep maakt.

pope, pop, ra. pope (priester v. d. Russische kerk).

popeline, popiin, f. populine (soort stof)» popllté(e), póplité, adj. van de kniehoog; ntuaeJe —, knieb oogspier, popote, pópóf, f. (pop.) 1. kokerij (faire la

- —), pot; 2. eettafel (onder mekaar), populace, pópülus, f. gepeupel, janhagel,

grauw. Ilpopulaeier, -ière, pópülasyé, yè-r, adj. van t gepeupel; gemeen, uit de achterbuurt. Ilpopulage, pópüla-f, ra. dotterbloem. Hpopulnire(mcnt), populè-r(niH), adj. (adv.); 1. volks-; 2.algemeen bemind of gezien, populair; 3. bevattelijk, voor ledereen verstaanbaar; —, s. nt. (oud) de groote hoop. Ilpopularisatlon, pópiilariza'syB, f., popularlser, pópülari'zé, t. 1. populariseeren (populair maken); 2. vulgariseeren, ln bevattelijken vorm uiteenzétten; se —, populair worden. Hpopularité, pópülariti, f. algemeene bemindheid, populariteit, volksgunst. Ilpopulatlon, pópiüa'syB, f. bevolking.

populéurn, pdpüléAm, m. populierzalf.

populcux, -euse, pöpulö(-z), adj. dicht)bevolkt, volkrijk. !!popu!o,pdpiiZo,m. 1.kindje, dik mormel; 2. (pop.) le —, 't volk, de arbeiders.

poquet, pükè, ra. zaaikuiltje. »v»

pore, pórk, (pó-r), ra. 1. varken; 2. varkensvleesch; 3.zwijn,vuile vent. Hporcelaine, pórselè(-)n, f. 1. porselein (— de Chlne, du Japon, de Saxe); 2. voorwerp v. porselein; 3. porseleinschelp. Hporcclainier, -ière, pórselènyé, yè-r,ra.f.porseleinwerker, -ster. Ilporcelet, pórseli, ra. 1. big, varkentje; 2. keldermot. Ilporcelle, porsèl, f. biggenkruid. jlporc-épic, pörkèpik, ra. stekelvarken;(/icr.)nurksche,beroerde vent; pl. porcs-êpics. Ilporchatson, póréè'zS, f. gunstige tijd voor wilde-zwiinenjacht.

porche, pórt, ra. 1. voorportaal v. *n kerk, 'n palels; 2. groote overdekte Ingang.

porchpr, -ère, porti, è-r, ra. varkenshoeder, -ster. [Iporcherie, pórseri, f. zwijnenstal. liporcin(e), pörsè, in, adj. race —e, varkensras.

pore, pó-r, ra. porie (vnl. in de huid). Ilporeux, -euse, pórB(-z), adj. poreus (met veel poriën of gaatjes).

porton, póryó, ra. meesterknecht in 'nmijn, opzichter.

pornographe, pArnAgraf, va. 1. gemeen schrijver; 2. schrijver over prostitutie. II—graphie, grafi, f. 1. onzedelijke.gemeene literatuur; 2. verhandeling over de prostitutie. II—graphlque, grajik, adj.

porosité, póro'zitè, f. poreusheid.

porphyre, pórfi-r, ra. porphyr (harde roode steensoort). II—ique, ik, adj. porphyrhoudend; -achtlg. [Iporphyrisation, pórfirizs-syB, f. ('t) fijnwrijven. Hporphyrlser, pörfiri'zt, t. fijnwrijven.

porque, pmk, t. kattespoor.

porracé(e), pórast, adj. preiachtig. Ilporreau, póro, va. prol.

porrifjlneux, -ense, pórrifinö(-e), adj. v. Ilporrigo, pórrigo, m. hoofdzeer.

port, pö-r, ra. 1. haven; i bon —, ln 'n veilige haven; — d'attaché, haven waar 't schip thuis behoort; — de commerce, — marchand, koopbaven; — franc, vrijhaven ; — ne tnarêe, alleen bij vloed toegankelijk; —militaire, oorlogshaven; — de pêche, visschersha ven: — de refuee, vluchthaven; — de salut, reddende haven, uitkomst; 2. vervoer, port(o); franc de —, — pavê, franco, portvrij; 3. Inhoud (v. 'n schip); 4. — d'arme(s), a. recht om wapens te dragen; b. houding v. 'n gewapend soldaat; 5. houding, postuur; 6. — de volx, 't overgaan v. d. stem van een toon op 'n andere. Ilportable, porta(-)bl, adj. draagbaar, te dragen. Rportage, pória-f, ra. 't dragen; draagplaats (waar 'n rivier onbevaarbaar ls).

portalt, pórta(-)y, va. hoofdingang; groote deur v. 'n kerk; pl. —s.

portant, pórtd, va. 1. (theat.) stuk voor 'n coulisse: zijlicht; 2. hengsel (v. 'n koffer, e. d.); -(e), (f. -a-t),adf. 1. dragend; 2.- bien —, gezond; mal —, sukkelend, ongesteld. Ilportatit, -ive, pörtaiH, i-v, adj. (gemakkelijk) draagbaar, verplaatsbaar.

porte, port, f. 1. deur; aller de — en —, van deur tot deur gaan, de deuren (hulzen)

Sluiten