Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

POUIUJOIUE

POUVQIR

«preekt, dan is dit er een; 6. per.op; quatre — cent, vier percent; uu dépüté — dlx mille habltants, éen afgevaardigde op 10000 inw.; 7. al, hoe; — être dêvot, je Wen aula pas molns bomme, al ben ik vroom, ik hen toch 'n mensch; — sagea que soient les rols, hoe wijs de koningen ook zijn; — nou que, (met subj.) hoe weinig ook maar, als maar eenigszins; 8. — tors, toen; -, s. m. le — et Ie contre, het voor en 't tegen.,

pourboire, purbita-r, m. fooi, drinkgeld.

pourccaii, purso, m. zwijn, Tarken. Iipourcellane, pursèlan, f. postelein.

pour-cent, pursd, m. percent(en); rente. Ilpourcenlane, pursd'ta-j, ra. percentage, repteToet.

pourrkas, puria, m. (de) jacht (op). Ilpourchasser, pmsnsé, t. najagen. Hpourcompte, purkö-l, ra. 't aannemen van slecht goed om 't Toor rekening Tan den afzender te verkoopen. Ilpourfcnileur,

ij! ^».o«ürviow3i, opsnrjaer. lpourIcndre. purfa-dr, t. door midden bakken. Ilpourléeher, purlésé, t. aflikken; ae —, z'n baard likken Hpourpar Ier, purporléjax. onderhoud, mondgesprek, onderhandeling; over- en weergepraat. ||-parlear, pniice-r,m. onderhandelaar.H—pcuser,pd'sé.t. (oud) peinzen (over), pourpier, purpyi, ra. postelein, pourpoint, purpüe, m, wambuis (17e £.). pour pre, purpr, f. 1. purper(vert); 2 purperen mantel; 3. (het) purper (v. vorsten of kardinalen); 4. purperschelp, -slak;—,m. l.purper(kleur);S.(o«d) scharlakenkoorts;

, pui|.c,™u. iipuui'pi-eiej, pur-

pre, adj. gepurperd, purperkleurig; fièvre —e, netelroos. Ilpourprier, purprié, ra. ptrrperslak.

pourpris, purpti, ra. omheining; ruimte; woning. Ilpourquoi (?) purküa, 1. waar om{!); 2. c'esf — je Val fait, daarom heb Ik t gedaan; —, s. m. (het'). waarom.

pourrlf», pu-ri, adj. verrot. Hpourrir, pwri-r, 1. verrotten, bederven, vergaan; —, t. doen verrotten, bederven. Ilpourrissaoe, pu'risa-j, ra *t rotten (t, lompen om er papier Tan te maken). Ilpourrissoir, pwrUud-r, ra. rotklat. Ilpourriture, pwrilü-r, f. 1. Terrotting; 2. vuiligheid, rotte dingen; viezigheid, bederf; verrot gedeelte • 3. — d'hópital, hospitaalkoorts.

poursuite, pursüil, f. 1. vervolging (ook in rechten); 2. — (de) ('t)«Mrt*evan,najagen, trachten (naar): — d'une entreprlse, voortzetting v. 'n ondernomen iets. Hpoursuivable, pursüiwi(-)bt, adj. vervolgbaar. I poursui vant, pursüira, ra. 1. die vervolgt, aanklager, eischer; 2. sollicitant, baantjesjager: 3. pretendent, vrijer. poursui v re, pursüi-vr, t. 1. vervolgen (ook in rechten); 2. naiagen, nastreven,trachten naar: 3. voortzetten: se -, voortgaan.

pourtant, puria,. evenwel, toch, echter.

pourtonr, purlu-r, ra. omloop, galerij.

pourvoi, purrüa, ra. 1. beroep; 2. verzoek <~ on gr&ce, om gratie). Mpourvolr, nurrüa-r, 1. (— a) voorzien (in): -, t. ( — de),1. voorzien (van), toe- of uitrusten (met); 2. uithuwelijken; se —, I. zich voor-

WS%£fmilr se — en cassatlon, ln hooger beroep gaan. Ipiiiir, oirie, jmrrüari, f.

(oud)pro viandeering. | peur voyeur, -euse, purvüayoi-r, -öz, ra. f. leverancier,-proviandmeester. Ilpour vu que, pureüke, (metsubi.) mits.

poussa(h), pusa, ra. dik afgodsbeeldje; chineesch duikelmannetje; dikke patapoef.

pousse, pusj. 1. 't groeien; 2. loot, spruitje; 3. kortademigheid (v. *n paard); 4. gisting van wijn, waardoor hij bederft. ||—-café, puskafé, ra. glaasje cognac of likeur na de koffie. ||—cailloux, puskayu, ra. (p.ip.) zandhaas (infanterist). Ilpoussée, pust, t.

1. duw, stoot; (op)dringen, aandrang;

2. drukking, persing: 3. plotselinge drukte. Ilpousse-pied, puspyé.ra. licht plat bootje, vlet; pl. —. ||—pointe, püe-t, ra. drevel. ||—pousse, puspus, ra. jinriksja (licht rijtuigje door 'n man getrokken). Ilpousser, pust, ti t. duwen,voortduwen.dringen, voortdrijven: — du coude, du genou, (met den elleboog, de knie) aanstooten;

— une porte, "n deur (open- of) dlohtduwen; se — de Pair, (pop.) zich uit de voeten maken; 2. aandringen btj; (— i) aanzetten, aandrijven, drijven (tot); — a bout, tot het uiterste drijven; wanhopig maken; 3. bevorderen; voorthelpen; se —, vooruitkomen; — sa tortune, sa pointe, van de kans geb ruik maken; 4. doorzetten, (krachtig^ voortzetten; 5. opdrijven, opjagen (bij 'n verkooping); 6. — nne colle a qn. iem. vastzetten, *n strikvraag doen;

— des cris, kreten slaken, 'n geschreeuw aanheffen ; — des gémissementa, kermen:

— un souplr, 'n zucht laten; 1. (loten) schieten, krijgen; (wortel) schieten; —, i. 1. opdringen, persen; — a la roue, aan 't wiel duwen; (tig.) meehelpen: 2. vooruitdringende vals -jusqu'en Espagne, ik zal m'n reis tot Spanje voortzetten; — au large, in volle zee steken; vous —z jusqui dlre, u gaat zoover dat u zegt; ce tableau pousse aunolr, deze schilderij is wat erg donker; 3. groeien, wassen; doorkomen (v. tanden); — comme uu champignon, groeien als kool; 4. tot gisting overgaan; 5. dampig worden (v. 'n paard). Ilpoussetle, pusèl, f. 1. spelletje met 2 gekruiste snelden: 2. kinderwao-nnt.l«. -

poussier, pusyé, ra. (kolenjgruis, -stof. Ilpoussière, pusyè-r, f. stof; grein de —, stofje; réd utre en —, vernietigen: faire de la -, stuiven; (tig.) drukte maken. Ilpoussiéreux, -euse, pusyérö(-z), adj. stoffig.

poussif, -ive, pusif, i-r, adj. kortademig, dampig.

poussin, puhë, ra. jong kuikentje; — de Hambourg, krielkulken. Hpoussinière,

vusinyé-r, f. 1. mand ot kooi voor kuikens: 2. broedtoestel; la P—, het Zevengesternte.

poussoir, pusüa-r,ra. knop (aan 'n repetitiehorloge).

poutraoe, putra-j, ra. balkwerk. Ilpoutraisnn, putrê'zö, f. 't leggen v. balken, üpoutre, pu-tr, f. balk. Ilpoutrellé, piilril, f. balkje.

pouture, pulü-r, f. stalvoeding.

pouvoir, pnvün-r, t. 1. kunnen; kunnen doen, vermogen; je n'y puls rien, ik kan or niets aan doen: n'en — plus, op Ztjn, niet meer kunnen: on ne peut plus beau.

Sluiten