Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

REGNICOLE

471

REJETONNER

koning regeert, maar bestuurt Biet (bekende f ormuleering van de constitutioneele fictie); 3. loopen, zich bevinden (van banken, 'ngalerij e.d.). ||règnicole,réf»ji7i'ö(,m. inwoner (v. 'n rijk).

regoiüiement, refjoiifler, zie gonflement, etc.

regorgement, r(e)gdriemll, m. ('t) overvloeien, vol zijn. Ilregoi-ger, r(e)yórjé, i. 1. overvloeien; 3. (— de) stampvol zijn (met); rijkelijk bedeeld zijn (met); 3. teruggeven.

rcgoulcr, r(e)guié, t. afsnauwen, afjakkeren, regrat, r(e)gra, m. (oud-) kramerfj, 'verkoop van restanten en rommel. Hregrattaye, r(fi)grata-j,m. ('t) afkrabben (van 'nmuur). Ilregratter, r(e)graté, i. 1. schachelen; 3, pingelen, beknibbelen; —, t. ('n muur) afkrabben, jlregratterie, r(e)gratri, f. (oud) uitdragerswinkel. Hregrattier, -iere, r(e)gratyé, yè-r, m. f. 1. wederverkooper; schachelaar, -ster (in restanten); uitdrager; 3. knlbbelaar, -ster. régrcss'if, -ive,réflrési7',i-»,adj. teruggaand, achteruitgaand, afdalend. Hrégression, régrèsyö, f. teruggang, achteruitgang. [|—ivement, ivma, adv. v. —if. regrei,r(e)£rré,m. 't betreuren; spijt, berouw, leedwezen; a —, met leedwezen, ongaarne. I regrettable(ment), regrèla(-)bl(emH), adj. (adv.) spijtig, betreurenswaardig. ||regretter, r(e)/7refé, t. betreuren, spijt, be. rouw hebben van; je regrette {que met subj.,. de met (»ƒ.) het spijt me ... régularisation, règillariza'syö, f. regeling, regularisatie. Urégulariscr, réyülarïeti Bi regelen, regelmatig maken, regulariseeren. Ilrégularité, régülarité, t. regelmaat, regelmatigheid, geregeld-zijn. Urégulateur, -trice, rcgiilafas-)-, (ris, m. f. regelaar, -ster, regulator (onderdeel v. 'n werktuig dat den gang regelt); —, edj. regelend. ||régulation, régüla-syS, f. regeling (b.v. van de lichaamswarmte); — du compas, correctie ,.van de miswijzing v. 't kompas. Ilrégulc, régiil, m. 1. (oud) metaal dat niet smeedbaar is (antimonium, arsenicum, b.v.); 3, goudhaantje; 3. klein potentaatje. Urégulier, -ière(ment), régülyé, yè-r(mcL), adj. (adv.) 1 .regelmatig; geregeld,stipt,ordelijk; 2.aan vaste regels onderworpen (van monniken); clergé —, de ordesgeestelijken, régurgitation, rtgilrjita-syd, f., régurgiter, régüriité, t. (ingeslikte spijzen) weer toi den mond krijgen, (zonder braking). réhab|ilitable, rèabiUla(-)bl, adj. te rebablliteeren, in z'n eer te herstellen, ! jréhabili talion, réabilila-syö, f. eerherstel, rehabilitatie. ||rénabUiter, rédbiUtê, t. tn eer herstellen, rehabiliteeren; se —, ln eer hersteld worden, de achting herwinnen. II—ïlitatoirc, ilitatüd-r, rehabiliteerend. Iiréhabilucr, rénbitüé, t. (— i) weer gewennen (aan), rchausscment, re(7*)o'sma, m. ophooging, verhooging; — des monnaies, vergrooting v. d. nominale waarde v. d. munt. Ilrehausser, re(h)o'sé, t. 1. ophoogen, verhoogen; 2. sterker doen uitkomen, verlevendigen, luister bijzetten aan; 3. — de, afzetten met (borduursel), llrehaut, re(h)o, m. 1. hoogsel (in de schilderkunst): 3. — rehaussement.

réimportateur, trice, rée-pórtatoe-r, tris, s. weer-lnvoerder, -ster. üréimportation, rt&pórt&'syö, f. wederinvoer. Hréimporter, réë'pórié, t. weer invoeren. Ilréimposer, rèè'po'zé, t. 1. opnieuw belasten, met 'n nieuwe belasting treffen; 2. (typ.) anders opmaken. ïéimposilion, réë-po-zisyÓ, f. 1. nieuwe belasting; 3. 't anders opmaken.

réimpression, rië'prèsyB, f. herdruk. ||réi nipri mer, rèë'primè, t. herdrukken; weer indrukken.

Reims, rë-s, stad in Frankrijk (Marne).

rein, re, m. nier; — flotlant, — mobile, wandelende nier; pl. 1. lendenen, lendenstreek; ceindre ses —s, zich omgorden; se donner un tour de —s, z'n lendenen verwrikken, zioh verrekken; 2. gewelfshoeken.

i'éincarcération, réë-karséra-syö, f., rcin-

carcérer, réë'karséré, f. weer i kerkeren,

weer gevangen zetten, réincarnation, rië-karna-syB, t. weer

vleesch-wording (v. d. ziel), réincorporer, réë'kórpóré, t. weer opnemen.

Inlijven.

reine, ré-», f. koningin; — des bois, lievevrouwenbedstroo; — des pres, moerasspirsea; R—, Reglna. Hreine-claudc, rithklo-d, f. ld., groene pruim: pl. reineoelaude. Ilrelne-marguerite, rinmargerit, f. Chineesche sterrebloem; pl. reines-mar'gutrites.

reinette, rènèt, f. renet (appel).

réiniecter, —Inhnmer, —inscrire, — insérer, —inspirer, zie infecter, etc.

réinstallation, rée-stala-syö, f. herstel Ih ambt e. d., relnstallatte. Hrcinstaller, rée'stalè, t. In ambt of waardigheid herstellen, reïnstalleeren.

roiiité(e), rë-té, adj. sterk van lendenen.

réintégrande, rèd'têgrtl-d, f. (oud) herstelling in bezit. Hréintégration, rêë'tégra'syö, f., réintégrer, rië-tégré, t. 1. weer in (bezit, enz.) stellen; 2. weer opnemen, weer

. Inbrengen; weer gevangen zetten; 3. — son domicile. z'n woonplaats weer betrekken.

réintroduction, réB'tródüksi/ö, f., rélntroduire, réë tróiüi-r, t. zie Introd—.

réinventer, rée-rS/té, t. weer uitvinden.

réilérateur, triee, réitératce-r, tris, réitératif, tive, réitèratif,4r*, adj. herhalend. Ilréitération, réitéra-syö, f. herhaling, ijréitérer, réiié-ré, t. herhalen.

reltre, rè-tr, m. landsknecht, Duitsch cavalerist (16e E.).

rejaillir, r(eriayi-r, 1. opspatten, terugspatten, .-springen; (fier.) neerkomen (op). Ilrejaillissant(e), r(e)jayisa(-t), adj. opspattend. ||rejailllssement,r(e);a?/is?na, m. 't spatten, terugspatten, -springen.

rejet, r(e)iè, ra. 1. verwerping;;sV*t werpen, terugwerpen; 3. loot, spruit; 4. verschuiving (tot 'n volgenden regel); 5. nieuwe zwerm. Ilreje.table, rejta(-)bl, adj. verwerpelijk. Ilrejeter, reftê, t. 1. verwerpen; afwijzen, afstemmen; 3. werpen, terugwerpen; — une faute sur qn., 'n fout op 'n ander werpen; 3. uitbraken, uitwerpen, wegwerpen: verstooten; 4. uitstellen, ver-

■ plaatsen. ||rcjetoir(c), rejlud-r, ra. (f.) vogelknip. Ilrejeton, rejtö, ra. 1. spruit, loot: 2. terg. flrejetonner, reftèeé, 1. uil -

I spruiten, nieuwe loten 'schieten.

Sluiten