is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven van Joost Welgemoed

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij dat alles voelde Joost zich in de sfeer der genade, alsof bij hem wat voor zijn kameraden vanzelf en spelende ging, zwaar moest wegen en met expresselijke dankbaarheid worden betaald.

Niets sprak ook vanzelf. Aan alles hing het looden gewicht der opzettelijkheid en omstandelijkheid, dat al zijn vreugden dicht drong. Hij wilde dankbaar zijn, o ja, hij wilde wel. Het lag in zijn karakter dankbaar te wezen, dankbaar en tevreden. Mits daar maar niet op werd gerekend, en hij niet altijd in woorden zijn natuurlijke gevoelens behoefde te zeggen.

„Nooit kan je dien jongen eens 'n pleizier doen I" klaagden de zusters, wanneer hij met een korzeligheid zich van hun bezwarenis bevrijdde.

Het was de avond. Het was, na de opluchting der dan eindelijk uitgezuchte voorstelling, het bal.

Op dat bal beleefde Joost het meisje.

Een beetje alleen, in de roezemoes der triumfante hoofdrolspelers, trok hij zijn knechtspakje uit, ontdeed zijn gezicht van het snorretje, dat de kapper met zalvige vingers erop geplakt had. Als weer een gewoon jongetje stuntelde hij het donkere, naar stof en verf riekende, gangetje door naar de zaal, waar ergens, achterin bij de palmen, de zusters wachtten aan haar tafeltje.

Een stoffig licht sloeg op zijn oogen toen hij de groote ruimte binnen kwam, een nevel van gedruischen was om zijn hoofd, alles leefde in agitaties en zenuwachtigheden, waartusschen hij verloren zijn weg zocht.

Ineens stond zij voor hem.

Groot was zij vóór hem; het leek of haar gezicht boven het zijne stond; hij schrok en wilde weggaan.

Maar zij lachte tusschen haar blonde pagelokken, ze vroeg:

„Ken je me niet meer?**

In een vreugd, een opspuiting van geluk, dat zij hèm nog kende, juichte hij:

88