is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetboek van militair strafrecht en wet op de krijgstucht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

103

schrijven; de onachtzaamheid en onnadenkendheid behooren onder die omstandigheden tot de grootste fouten, waaraan een bevelvoerder zich kan schuldig maken. Onbekwaamheid voor een werkkring is op zich zelve geen schuld; maar zij kan schuld worden, wanneer b.v. de officier niet heeft zorg gedragen, voor zijne taak berekend te blijven.

Ad art. 94, tweede lid. „Belast zijnde met het bestuur of toezicht over enz." Ook hierbij is de verzwaarde strafpositie gerechtvaardigd: het dapperste en best georganiseerde leger is waardeloos, zoodra blijkt, dat het proviand bedorven is of de krijgsbehoeften ontbreken. Zie voorts bij art. 87, tweede lid.

TITEL HL

Misdrijven waardoor de militair zich aan de vervulling van zijne dienstverplichtingen onttrekt.

In dezen Titel zijn de misdrijven vereenigd, waardoor de militair zich tijdelijk of voor goed onttrekt of tracht te onttrekken aan de verplichtingen, die krachtens wet of dienstverband op hem rusten. Alleen op het verzaken van het geheel van die verplichtingen hetzij gedurende korter, hetzij gedurende langer tijd, hetzij voorgoed, niet op de schending of niet-nakoming van een enkelen dienstplicht wordt hier gedoeld. Dit karakter blijkt uit het opschrift, uit de bepaling van den minimumduur van een geheelen dag voor de strafbare afwezigheid in tijd van vrede (artt. 96 en 97, no. 1), uit de verdere omschrijving der misdrijven en uit de vergelijking met andere artikelen (vgl. b.v. artt. 86, 114, 129, 130, 131, 135 e.a„ waarin wordt strafbaar gesteld het zich onttrekken aan eene bepaalde soort van dienstverplichtingen of het verzaken van een enkelen dienstplicht).

De Titel waakt derhalve tegen dienstverzaking door afwezigheid of wat daarmede gelijkgesteld wordt, of door het aanwenden van middelen van bedrog, alsook tegen het aanwenden zelf van sommige van die middelen.

De artt. 96—100 behandelen de ongeoorloofde afwezigheid en de desertie.

De regeling van dit onderwerp in de Crimineele Wetboeken vond reeds langen tijd zoo algemeene bestrijding, dat eene partieele wijziging in de voorschriften betreffende de desertie in tijd van vrede in het leven werd geroepen bij de Wet van 14 Februari 1887 (Stbl. no. 35), ten einde de ergste misstanden weg te nemen. Hiermede was echter in geenen deele gezegd, dat bij eene geheel geheel nieuwe regeling in dezelfde lijn zou worden voortgewerkt.

Bij de overweging der vraag, welk stelsel betreffende de afwezigheidsmisdrijven in de wet moest worden neergelegd, stond op den voorgrond, dat het hoofdkenmerk moet worden gezocht hierin, dat de militair zonder verlof (zich verwijdert en) afwezig blijft van de plaatsen of plaats, waar hij zich ter vervulling van de op hem rustende dienstverplichtingen behoorde te bevinden (vgl. art. 106). Hieruit spreekt onmiddellijk het karakter van het voortdurend misdrijf (zie bij art. 58, bldz. 62 en 63). Evenwel, niet iedere eigendunkelijke afwezigheid van een militair, zelfs met de bewustheid, dat hij zich daardoor aan den dienst onttrekt, heeft een gelijkelijk strafwaardig karakter, noch behoort zij denzelfden naam te dragen; er moet worden onderscheiden tusschen de gewone, eenvoudige ongeoorloofde afwezigheid en eene bijzondere, zwaardere