is toegevoegd aan je favorieten.

Bij vreemde menschen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3o6

wel voor, dat Thomas, na het koffiedrinken, nog zulk een honger had, dat hij zijn tante Pauline de Raad ging bezoeken in de hoop, dat zij hem nog een paar boterhammen aan zou bieden, wat zij altijd deed. Naar het huis in de Hugo de Grootstraat ging hij niet, hij wist dat hij er niet welkom was, zelfs wanneer hij honger had.

Thomas bracht een langen tijd bij de Veldheeren door. Hij vond hen oneindig beter dan de De Honden. Deze menschen hadden in West-Indië gewoond. Zij waren, toen er de ziekte in hun cacaoplantages kwam, naar Holland gekomen, had Ma reus verteld en hadden veel geld verloren, maar nu ging het weer wat beter. Ja de Veldheeren moesten gereisd hebben, verre reizen gemaakt hebben over zee, allen hadden ze wat gezien van de wereld. Wat Marcus vooral tot een bijzonder man maakte in Thomas' oogen, dat was een vreeslijk htteeken in zijn rechter voet, want daarin had zijn broer Dimmen bij ongeluk met een bijl gehakt toen zij boomen velden samen in een WestIndisch bosch, „waarin ook apen waren".

Maar zonderling en onbegrepen bleef voor Thomas toch mijnheer Veldheer, de eeuwigzwijgzame man in kamerjapon, droefgeestig turend naar wat er in en uit ging in het „café" aan de overzijde der straat, terwijl hij pijp na pijp rookte van zijn portorico.

Eens had hij den ouden heer vreesehjk driftig gezien, waarom wist Thomas niet, echter, sindsdien was hij bang voor hem. Later hoorde Thomas, dat hij in de tropen een kwaal-aan-de-lever had gekregen, en nu leek mijnheer Veldheer hem in Zijn kamerjapon dubbel gevaarlijk van geheimzinnigheid, want daar moest toch wel wat met je gebeurd zijn wanneer je een leverkwaal kreeg. Alles in het hoekhuis in de Hemsterhuisstraat