is toegevoegd aan je favorieten.

Bij vreemde menschen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Thomas was zoozeer ontroerd toen hij haar voor het eerst zag. Zij deed een nieuwe onzekerheid, een nieuwe, trieste zoete vertwijfeling in hem ontstaan, die teedere Guusje Latour, die arme wees. Allereerst bracht zij in Thomas weder een streven naar braafheid. Thomas had geleerd die begeerte daarnaar te wantrouwen, want hij wist dat die korte spanne van braafheid onvermijdelijk door droevige en noodlottige instortingen naar verzoekingen en zonden zou gevolgd worden.

Thomas de Maerl dan was in de dagen dat Guusje Latour kwam, stiller en nog meer in zich zelf terug getrokken dan gewoonlijk. Zijn woede tegen Spijker, den zoon van den spekslager, die in hun laatste kloppartij „boven" had gelegen, was wat bekoeld, nu hij wist, dat diens wegblijven van school, verband hield met de „mazelen". Overigens, het was toch een lamme, paffe knul, en wie kreeg er zóó laat de „mazelen".

Het was nu herfst en de bladeren der boomen op de Elandsgracht begonnen alreeds te gelen. Als het des avonds stiller werd in de straten ging hij voor het middagmaal wel eens even staan op het wrakke balkon. De takken reikten over het smalle, zwarte grachtwater tot op de vervelooze balustrade. Als hij ze nu schudde, vielen wel enkele bladeren af en dreven traag en waggelend naar beneden tot ze plat uitlagen in de roerloos vuile gracht. De geluiden van de stad klonken Zoo vaag en schenen zoo veel te verhalen, dat hij nimmer zou kunnen verstaan, maar dat hem altijd toch wekken zou tot iets. Wat zou het toch zijn ? Wat kon het toch wezen ?

Hij was er nu aan gewend geraakt niet meer bij zijn moeder thuis te komen buiten de vacanties, maar wat was het leven triest, en wat maakten de ervaringen op school het hopeloos. Zou hij ooit

309