is toegevoegd aan je favorieten.

Bij vreemde menschen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3io

meekunnen met de andere jongens? Hij was nu dertien en hoe hij zijn best ook deed, hij kon met alles mee, behalve met de verschrikkelijke wiskunde. Even had hij het soms te pakken, en dan.

weg, was het weer, hij voelde het rampzalige ; hij zou dat nooit kunnen leeren.

Maar dan Guusje, die bijna even oud was als hij.

Wat was zij toch knap ! Zij ging na tafel zitten voor haar huiswerk, en maakte het ineens af en het was altijd veel eerder klaar dan hij verwachtte. Als hij nog zat te ploeteren, zag hij haar met een leesboek, en haar lessen kon zij leeren, terwijl zij naar school ging. Als zij hem in zijn schoolboeken uitlegde wat hij niet begreep, kwamen haar bruine krulletjes wel eens tegen zijn gezicht, wat hem onbeschrijflijk ontroerde. Dan zag hij op eens in zijn verbeelding weder dat zachte, ovale gelaat met de frisch-roode wangetjes, die wel als perzikendons moesten aanvoelen naar hij meende, dan zag hij haar fijne lippen, hij hoorde haar teer stemgeluid. Het was dan een oogenbhk een zachte en zoete bedwelming, en hij wist maar niet wat het beduidde, totdat hij met veel inspanning zijn aandacht weder trok op de les, en altijd legde zij hem het moeilijkste zóó uit, dat hij het dadelijk begreep...... Ach, Guusje, Guusje, dat arme kind

zonder ouders, nu ook al, als hij, bij vreemde menschen in huis.

En dien avond voor het middagmaal, staand weder alleen bij de kale doffe balustrade, luisterde hij naar die verre geruchten van de kleine stad. O, hoe wonderlijk was toch de wereld, hoe triest en verveloos, en vol van allerlei vage verlangens, van allerlei mooie, prettige en verschrikkelijke mogelijkheden, hij wist niet waaraan hij moest denken nu. Het was prettig maar te luisteren en aan niets te denken. Hoor, daar trok de wind weer