is toegevoegd aan je favorieten.

De gereformeerd-ethischen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INLEIDING.

De oorlog heeft vier jaar aan alle zijden van ons vaderland gewoed. De ruiters op het roode en vale paard brachten bloed en vuur op de landen, brachten dood en- rouw in duizend moederharten; maakten akkers tot kerkhoven en woestijnen; de ruiter op het zwarte paard deed kinderen van honger omkomen; zwaaide zijn sombere vaan ook over ons land en onze steden. "Wij hebben gebeden tot God om uitkomst; hartstochtelijk eerst; zwakker later, toen het oordeel bleek ons land te omzeilen. Wij hebben samen gebeden, toen de jammer ons als menschen vereenigde. Maar bij het afdrijven van het onweer kwamen wij weer te voorschijn, bekeken de lucht, bekeken elkander en waren dezelfde oude menschen gebleven met den ouden haat en de oude kleinheid, en het gekibbel en de gelddorst ontwaakten met nieuwe macht, als bacillen, die 't wonnen in het zieke lichaam, dat een oogenblik weerstand bood.

De maatschappelijke nood en strijd drukken zwaar op ons land. Er is overdaad bij sommigen; zorg bij vele middenstanders en óók bij vele aanzienlijken; jacht naar meer loon, en even hard opmaken van dat loon bij velen — waar is de spaarzaamheid, die ónze ouders voor tijd van nood wat over deed leggen? Er is honger bij velen en vooral in huizen, waar men, van buiten bezien, welstand zou vermoeden. En bij al dien nood zijn de schouwburgen en bioscopen vol; tienduizenden gaan naar tentoonstellingen, die alleen trekken, als er een kermis bij is; zonder vergunning voor sterken drank kon de Luchtvaart-tentoonstelling in Amsterdam het niet stellen.

Oorlog en revolutie ploegden diepe voren in de landen van Europa.' De vijandschap en het wantrouwen zullen de volkeren nog tientallen van jaren ongenaakbaar voor elkander doen blijven. Na den vrede is eerst ten volle gebleken, hoever ons volk in deze